VrijheidNu
23 maart 2009, 10:46
Column Buitenhof
Nooit eerder heb ik het gezien, maar ik lijk sprekend op Geert Wilders. Sinds afgelopen week weet ik: Geert en ik, wij zijn twee kanten van dezelfde medaille. Zielsverwanten, dát. Want wat wil Wilders? Hij wil premier worden.
Het kan niet anders, of Geert heeft, net als ik, als kleuter al gedroomd van het premierschap. Ik vond het heerlijk om in het centrum van Den Haag ministers en Kamerleden te spotten (‘Laat die nieuwe Barbie maar zitten, mama, ik heb Van der Klaauw in het echt gezien’) - iets wat Jan Terlouw ertoe bracht om in mijn exemplaar van Oorlogswinter te schrijven: voor een jong politiek talent. Toen was ik nog pas zes.
Helaas waren alleen volwassenen geïnteresseerd in mijn standpunten, terwijl medekinderen, voor wie de partij toch was bedoeld, luid lachend mijn stencils vertrapten. Dit martelaarschap zou mij uiteindelijk sterker maken; sterk genoeg voor de macht. Ik hoef helemaal geen ministerspost, ik wil premier worden naast Geert.
Een duobaan, jawel. Ook beter voor het thuisfront. En een eerlijke taakverdeling: als Geert niet met de linkse media wil praten, doe ik het wel. Als hij nog steeds niet naar Londen mag, ga ik wel in zijn plaats. Ik weet namelijk ook wat je in de film Fitna niet te zien krijgt, en dat is zeker de moeite van het bespreken waard. Op zijn beurt mag Wilders alle nuances uit mijn teksten schrappen, zodat ze eens wat fermer overkomen.
Ja, ik kan ons erfgoed prima overbrengen, op een gezellige, Libelle-achtige manier; al moet ik paaseieren verven met moslimkindertjes, en ze liedjes van Vader Abraham leren – als dat voorkomt dat ze gevaarlijk worden, doe ik het met plezier.
Dus Geert de felle Mars-premier, en ik de Venus-premier van de zachte aanpak… Voor iedereen wat wils, wat wilds, en het kan nog wilder… Wilderst dan in de rest van Europa, wilderst dan in Amerika zelfs. Geert, zullen we er samen een gidsland van maken? Zijn wij elkaars poldermodel? Zullen we het doen, samen regeren?
Oké
Nooit eerder heb ik het gezien, maar ik lijk sprekend op Geert Wilders. Sinds afgelopen week weet ik: Geert en ik, wij zijn twee kanten van dezelfde medaille. Zielsverwanten, dát. Want wat wil Wilders? Hij wil premier worden.
Het kan niet anders, of Geert heeft, net als ik, als kleuter al gedroomd van het premierschap. Ik vond het heerlijk om in het centrum van Den Haag ministers en Kamerleden te spotten (‘Laat die nieuwe Barbie maar zitten, mama, ik heb Van der Klaauw in het echt gezien’) - iets wat Jan Terlouw ertoe bracht om in mijn exemplaar van Oorlogswinter te schrijven: voor een jong politiek talent. Toen was ik nog pas zes.
Helaas waren alleen volwassenen geïnteresseerd in mijn standpunten, terwijl medekinderen, voor wie de partij toch was bedoeld, luid lachend mijn stencils vertrapten. Dit martelaarschap zou mij uiteindelijk sterker maken; sterk genoeg voor de macht. Ik hoef helemaal geen ministerspost, ik wil premier worden naast Geert.
Een duobaan, jawel. Ook beter voor het thuisfront. En een eerlijke taakverdeling: als Geert niet met de linkse media wil praten, doe ik het wel. Als hij nog steeds niet naar Londen mag, ga ik wel in zijn plaats. Ik weet namelijk ook wat je in de film Fitna niet te zien krijgt, en dat is zeker de moeite van het bespreken waard. Op zijn beurt mag Wilders alle nuances uit mijn teksten schrappen, zodat ze eens wat fermer overkomen.
Ja, ik kan ons erfgoed prima overbrengen, op een gezellige, Libelle-achtige manier; al moet ik paaseieren verven met moslimkindertjes, en ze liedjes van Vader Abraham leren – als dat voorkomt dat ze gevaarlijk worden, doe ik het met plezier.
Dus Geert de felle Mars-premier, en ik de Venus-premier van de zachte aanpak… Voor iedereen wat wils, wat wilds, en het kan nog wilder… Wilderst dan in de rest van Europa, wilderst dan in Amerika zelfs. Geert, zullen we er samen een gidsland van maken? Zijn wij elkaars poldermodel? Zullen we het doen, samen regeren?
Oké