admin
14 april 2007, 20:28
(Opinio. nu) Diederik Boomsma en Bart Jan Spruyt - Europa reproduceert zichzelf niet meer, pleegt daarmee zelfmoord en zal geïslamiseerd worden, schreef de Canadese publicist Mark Steyn in een nogal alarmerend artikel dat Opinio op 16 maart publiceerde. Maar op welke veronderstellingen en aannames was zijn klaroenstoot gebaseerd? Kloppen de demografische feiten waar Steyn van uitging? Welke ontwikkelingen doen zich nu precies voor? Wat zijn daarvan de oorzaken en gevolgen? En kunnen we nog iets doen om een Europese zelfmoord, als daar al sprake van is, te voorkomen?
http://www.akademie-schwerte.de/medien/bilder/246/k1_m309.jpg
Een interview met Franz-Xaver Kaufmann, internationaal vermaard demograaf en socioloog, emeritus hoogleraar aan de universiteit van Bielefeld in Duitsland.
Demografie in harde cijfers
Het gemiddelde aantal kinderen per vrouw
Het gemiddelde aantal kinderen per vrouw in 25 lidstaten van de Europese Unie (dus nog zonder Roemenië en Bulgarije) daalt sinds de jaren zestig. In de periode daarvoor lag het cijfer nog ruim boven het vervangingscijfer van 2,1. In het midden van de jaren zeventig zakte het gemiddelde onder dit getal, en daalde het vervolgens verder tot het huidige gemiddelde van 1,49, een daling dus van bijna een derde ten opzichte van het vervangingscijfer van 2,1.
In de nieuwe, vooral Oost-Europese lidstaten is de trend iets anders dan in de vijftien oude lidstaten die tot 1 mei 2004 de Europese Unie vormden. In Oost-Europese landen liep de vruchtbaarheid in de jaren tachtig licht terug, en ging ze in de tweede helft van de jaren negentig, na de val van de Muur, sneller achteruit. Deze verdere teruggang zou te maken kunnen hebben met de afschaffing van het positieve vruchtbaarheidsbeleid van voor die tijd, met economische onzekerheid en met de grotere beschikbaarheid van contraceptie.
De ontwikkeling in deze 25 EU-landen van de afgelopen veertig jaar heeft zich als volgt voltrokken:
1964 2,64
1974 2,11
1980 1,88
1990 1,64
2004 1,49
Ter vergelijking: in bijna alle landen in de wereld daalt de vruchtbaarheid sinds de jaren zestig. In Nigeria daalde de vruchtbaarheid in dezelfde periode van 6,90 kinderen per vrouw in 1960 tot 5,57 in 2004, en in Rusland van 2,55 tot 1,26.
Binnen de Europese landen bestaan aanzienlijke verschillen. Nederland was in 1960 nog een van de meest vruchtbare landen, met een vruchtbaarheidscijfer van 3,12 kinderen per vrouw. Vervolgens daalde de vruchtbaarheid in Nederland vanaf het midden van de jaren zeventig zeer abrupt, tot een dieptepunt van 1,51 in 1985. Sindsdien is het weer iets opgeklommen (mede door de komst van grote hoeveelheden immigranten die veel meer kinderen krijgen) tot het huidige 1,73.
In Frankrijk is er sprake van een gestage neergang van 2,73 in 1960 tot 1,9 in 2004.
In Spanje bleef het vruchtbaarheidscijfer van 2,86 in 1960 tot 1975 stabiel, en het daalde daarna snel tot 1,64 in 1985, en sindsdien verder tot het huidige cijfer van 1,32 (een van de laagste in de wereld). Italië, Griekenland, Polen en Tsjechië zitten ook rond dit cijfer.
In Duitsland begon de vruchtbaarheid al direct na de oorlog te dalen, en ze was in 1960 al slechts 2,37 kinderen per vrouw. Daarna daalde de vruchtbaarheid snel tot 1,37 in 1985. In 1990, na de val van de Muur, nam de vruchtbaarheid een paar jaar lang weer even toe, tot 1,45, om vervolgens al snel weer terug te vallen tot het huidige cijfer van 1,36.
In het Verenigd Koninkrijk bedroeg de vruchtbaarheid in 1960 nog 2,72. Sinds 1975 schommelt die rond het huidige cijfer van 1,74.
Verdere cijfers
– Sinds de eerste helft van de jaren tachtig is de leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen in de 25 EU-lidstaten met meer dan drie jaar gestegen, van 24,9 tot 28. De landen waar vrouwen het laatst met kinderen beginnen, zijn Nederland, Spanje en Italië. (In Nederland is de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen het hoogst, namelijk 30,5 jaar.)
– Na 1990 is in de 25 EU-landen immigratie de belangrijkste component van bevolkingsgroei.
– Italië heeft de oudste bevolking van de EU, met een gemiddelde leeftijd van 42,3 jaar, zeven jaar ouder dan in Ierland, het land met de jongste bevolking.
– De verwachting is dat de bevolking van de EU door natuurlijke sterfte vanaf 2005 afneemt. De meeste recent toegetreden landen in Oost-Europa hebben nu al een krimpende bevolking. Vanaf 2007 zal echter de actieve beroepsbevolking, het aantal werkenden tussen de 20 en 59 jaar oud, gaan krimpen. In Duitsland zal die krimp meer dan 11 miljoen mensen bedragen, hetgeen een reductie van een kwart van de huidige arbeidsmarkt betekent.
– Verwacht wordt dat de bevolking van Duitsland en Italië in 2050 met ongeveer 10 procent gekrompen zal zijn vergeleken met nu. Polen en Hongarije zullen nog meer krimpen.
Bron: Population Statistics, een uitgave van Eurostat, Office for Official Publications of the European Communities, 2006.
Hoe komt het, vroeg de Duitse president Köhler zich af, dat wij in Duitsland steeds minder kinderen krijgen? Geloven wij niet meer in onze toekomst? Kinderen betekenen nieuwsgierigheid, creativiteit en vertrouwen. Kinderen zijn bruggen naar de wereld van morgen
Tussen 2020 en 2040 zal er zwaar
tij komen. Het huidige sociale stelsel zal niet te handhaven blijken. Uitgaven en inkomsten zullen niet meer met elkaar in evenwicht te brengen zijn. De bevolking zal verarmen, en dat zal weer tot een heftige politieke strijd leiden
We moeten als uitgangspunt nemen dat mensen met kinderen in de toekomst van de samenleving investeren. De kosten die ouders voor hun kinderen maken, moeten dus aftrekbaar worden gemaakt, terwijl mannen en vrouwen die voor kinderloosheid kiezen, meer belasting zouden moeten gaan betalen
Welke demografische ontwikkelingen voltrekken zich nu precies in Europa?
De demografische ontwikkelingen in Europa worden door drie zaken bepaald: door de vruchtbaarheidscijfers (hoeveel kinderen worden er geboren?), door de vergrijzing en door de immigratie. En dan is het algemene beeld: Europa krimpt, wordt ouder en bonter. De meeste mensen denken dat de vergrijzing van de bevolking het grote probleem is, en daar hoor je politici dan ook over, maar het grote probleem is het feit dat er steeds minder kinderen worden geboren, dat de piramide van de bevolkingsopbouw op zijn kop komt te staan en dat in een aantal Europese landen de groei – als die zich al zal voordoen – uitsluitend toe te schrijven zal zijn aan de groei van het allochtone bevolkingsdeel.
Zijn de ontwikkelingen in alle Europese landen hetzelfde?
Binnen Europa bestaan er grote verschillen. In de Scandinavische landen, en ook in Ierland en Frankrijk, gaat het relatief goed: de bevolking handhaaft zich daar iets onder de 2,1 kind per vrouw, het aantal dat nodig is om de bevolking op hetzelfde niveau te houden.
Maar elders in Europa zitten de geboortecijfers substantieel onder dit zogeheten vervangingsniveau, en die teruggang is zorgelijk. In Oost-Europa was het kindercijfer vóór 1990 laag, en het steeg even na het optimisme in het begin van de jaren negentig, als gevolg van de val van de Muur, maar inmiddels is het cijfer ook daar flink gekelderd tot ver onder het vervangingsniveau. In 1988 werden in de toenmalige DDR nog 220.000 kinderen per jaar geboren; in 1994, het absolute dieptepunt in Oost-Duitsland, was dat aantal gedaald naar 79.000. Dat is een wereldrecord.
Ook in het katholieke Zuid-Europa hebben de teloorgang van het traditionele geloof, inclusief de visie op de man-vrouwverhouding, en de teloorgang van een door dat geloof geïnspireerde manier van leven, tot een sterke daling van het aantal geboorten geleid. En ik denk dat ook het traditionele machismo een grote rol speelt. Paternalisme is eigenlijk een betere term: grote verschillen tussen de rol van mannen en vrouwen, met de man als hoofd van het gezin die het voor het zeggen heeft, en vrouwen die weinig in te brengen hebben. Oorspronkelijk leidde dit paternalisme juist tot veel kinderen, maar de komst van de pil heeft de machtsbalans tussen mannen en vrouwen met name in deze landen sterk veranderd en ertoe geleid dat vrouwen, nu zij wél de keus kunnen maken, nog vaker kiezen voor een andere levensstijl met minder of geen kinderen.
In de van oudsher meer egalitaire Noord-Europese landen, waar gelijke rechten eerder aanwezig waren, is deze omslag minder ingrijpend. Duitsland behoort in dit verband tot de meer paternalistische landen. En in Duitsland heeft dat lange tijd geleid tot een verkeerde familiepolitiek: het CDU was echt een huisvrouwenpartij, en de SPD de partij van de tweeverdieners, alsof er geen compromissen mogelijk zijn. Die situatie is in de huidige Gross­koalition wel aan het veranderen, dankzij minister Ursula von der Leyen voor Gezin en Familie, die zelf zeven kinderen heeft en christelijk is, maar ook een drukke baan heeft.
En wat zijn de cijfers voor Nederland?
Nederland zit zo’n beetje tussen de Scandinavische en Zuid-Europese landen in. De vruchtbaarheids­daling begon er later dan in Duitsland, waar het aantal kinderen al rond de jaren vijftig dramatisch was teruggelopen. Duitsland had toen de laagste vruchtbaarheid van Europa. Samen met Italië was Nederland direct na de oorlog nog Europees koploper wat de vruchtbaarheid betreft, ook omdat Nederland in die tijd nog sterk conservatief en religieus was. In 1960 bedroeg het gemiddelde aantal kinderen per Nederlandse vrouw nog 3,12. Maar toen eind jaren zestig, begin jaren zeventig de daling in de vruchtbaarheid ook in Nederland kwam, was die omslag wel sneller en scherper. In 1985 werd een dieptepunt bereikt met 1,51 kind per vrouw.
In Duitsland schommelt het vruchtbaarheidscijfer van autochtonen op dit moment rond de 1,1 en 1,2. Bij immigranten, inclusief de vele Volksduitsers die na de oorlog naar Duitsland zijn getrokken, is dat 1,8. De vruchtbaarheid onder Turkse immigranten is waarschijnlijk nog aanzienlijk hoger.
Is de situatie in de Verenigde Staten beter?
Onder de WASP’s – de blanke, Angelsaksische protestanten in de steden – is het geboortecijfer vergelijkbaar met dat in Europa. Bij de Joden ligt het erg laag, gemiddeld op maximaal 1,0 kind per vrouw. Maar Amerika wordt ‘gered’ door de instroom van immigranten uit vooral Zuid-Amerikaanse landen. Deze hispanics zijn nog traditioneel katholiek en krijgen veel kinderen. Daardoor komt het gemiddelde in de VS toch op 2 uit.
Wat is volgens u de belangrijkste oorzaak van deze teruggang?
Er is een algemene tendens in onze cultuur, waarvan de precieze oorsprong moeilijk te bepalen is. Kort na zijn aantreden in mei 2004 heeft de Duitse president Horst Köhler deze kwestie in de Bondsdag vragenderwijs aan de orde gesteld. Hoe komt het, vroeg hij, dat wij in Duitsland steeds minder kinderen krijgen? Geloven wij niet meer in onze toekomst? Kinderen betekenen nieuwsgierigheid, creativiteit en vertrouwen. Kinderen zijn bruggen naar de wereld van morgen. We moeten ons met z’n allen inspannen om een samenleving te worden die vriendelijker is voor gezinnen en kinderen. Zo zei hij dat, onder bijval van onze Tweede Kamer. Het is nog nooit voorgekomen dat een Duits staatshoofd zo bezwerend over de demografische situatie heeft gesproken.
Meer specifiek geldt dat de band tussen seksualiteit en voortplanting sinds de jaren zestig radicaal is doorgesneden. De pil, die rond 1965 steeds algemener in gebruik kwam, heeft de machtsbalans tussen man en vrouw op zijn kop gezet. Daarvóór was seks altijd ‘risicovol’ vanwege een mogelijke zwangerschap. Seks kan nu zonder gevolgen blijven en is daarmee op zichzelf komen te staan. Deze nieuwe voorbehoedsmiddelen hebben dus een grote culturele verandering geschapen. Er ontstond een levensstijl die we postmodern zijn gaan noemen, met een sterke nadruk op individualisme en hedonisme, en de afbraak van het traditionele huwelijk ten gunste van lossere relaties. De Nederlandse demograaf Dick van de Kaa noemde dit de ‘tweede demografische overgang’.
Vroeger ging mijn vak over de vraag waarom mensen minder kinderen kregen. Nu gaat de demografie eigenlijk om de vraag hoe het komt dat mensen überhaupt nog kinderen krijgen.
Ondanks deze zorgelijke cijfers lijkt het probleem niet als hoogst urgent te worden ervaren.
Nee, en dat komt waarschijnlijk omdat de sterfelijkheid ook terugloopt. De vergrijzing maakt de krimp onzichtbaar. Na de Tweede Wereldoorlog liep de zuigelingen- en kindersterfte sterk terug, en dat heeft hetzelfde effect als een hoger vruchtbaarheidscijfer gehad: meer kinderen en per saldo een verjonging van de bevolking. De komst van antibiotica en andere ontwikkelingen in de medische wetenschap hebben de afgelopen decennia juist voor ouderen gunstig uitgepakt. De gemiddelde leeftijd van de mens stijgt elk jaar met twee tot drie maanden. De bevolking blijft dus groeien, maar we vergeten te bedenken dat de bevolking tegelijkertijd vooral ouder wordt. Omdat mensen nu langer leven, zien we veel minder snel hoezeer de dalende vruchtbaarheid de bevolkingsaantallen beïnvloedt. De bevolking groeit nog wel, maar de groei komt door ouderen in plaats van door jongeren. Dat de bevolking vergrijst, wordt als een groot politiek probleem ervaren, maar het ouder worden van onze bevolking zou geen probleem zijn wanneer er voldoende kinderen werden geboren.
Welke rol speelt de immigratie, de derde factor in de demografische ontwikkelingen?
De immigratie is van land tot land zeer verschillend, maar over het algemeen leidt zij tot een stijging van de geboortecijfers. Of we daar iets aan hebben, hangt af van de vraag of deze immigranten zich niet alleen reproduceren maar zich ook tot productieve medelanders ontwikkelen. Een goede integratie van de tweede generatie van immigranten wordt sterk bemoeilijkt doordat zij, in Duitsland althans, vooral afkomstig zijn uit de binnenlanden van Turkije en daarmee een clancultuur, inclusief eerwraak en dat soort zaken, meenemen die haaks op onze cultuur staat. En bovendien zien we in toenemende mate conflicten tussen Turken en Arabieren ontstaan. Zolang dat zo is, zal immigratie geen oplossing bieden voor de vraagstukken van vergrijzing en bevolkingskrimp.
Wat zijn de tendensen en prognoses?
Er zijn twee mogelijkheden: óf de trends zoals die zich sinds 1965 aftekenen, zetten zich lineair door, of er komt een reactie waardoor de huidige demografische trend wordt gekeerd.
In het eerste scenario krijgt Mark Steyn gelijk, dan sterft Europa uit en pleegt daarmee culturele zelfmoord. De vruchtbaarheid blijft dan gemiddeld 1,5 kind per vrouw, wat niet voldoende is om onszelf te vervangen.
We moeten niet vergeten dat niet alleen bevolkingsgroei maar ook bevolkingskrimp zich langs exponentiële lijnen voltrekt. Stel bijvoorbeeld dat in Duitsland één miljoen mensen wonen, en dat de vrouwen tussen de 1,4 en 1,5 kinderen krijgen, twee derde van het vervangingscijfer van 2,1. Na één generatie is de bevolking dan gekrompen tot 660.000 mensen, na twee generaties tot 440.000, en na drie generaties tot rond de 300.000. Ofwel, als de vruchtbaarheid blijft zoals die nu is, krimpt een bevolking na drie generaties tot 30 procent van het oorspronkelijke aantal.
De rol van de immigratie, alhoewel die politiek het gemakkelijkst te beïnvloeden is, is in dit scenario zó moeilijk te voorspellen dat geen enkele prognose heel serieus kan worden genomen. De arabist Bernard Lewis heeft voorspeld dat in 2050 de helft van de bevolking in Duitsland moslim zal zijn, maar dat is te dramatiserend. Moslims zullen niet op korte termijn de meerderheid van de bevolking vormen. Recent onderzoek van de universiteit van Tübingen laat zien dat het aandeel van de moslims – van wie we er hier in Duitsland momenteel 3,3 miljoen hebben, dat is 4 procent van de bevolking – in 2030 gestegen zal zijn naar 7 miljoen, 10 procent van de bevolking. Zelf denk ik dat dit percentage tegen die tijd nog iets hoger zal uitkomen en in 2050 ongeveer 35 procent zal bedragen. De importhuwelijken spelen hierbij een grote rol. Veel moslimmannen willen niet integreren en willen een onderdanige vrouw, die nog niet ‘verpest’ en mondig geworden is door het moderne klimaat. In de regio’s waar deze vrouwen en mannen vandaan komen, agrarische gebieden, zijn kinderen geen belasting maar rijkdom.
Moslims zullen geen meerderheid vormen, maar natuurlijk wel nog meer invloed krijgen dan ze nu al hebben.
Wat zullen de gevolgen zijn wanneer de huidige trend zich lineair voortzet?
In sociaal-economisch opzicht zal dat betekenen dat de economische groei zal dalen, en daarmee ook het innovatieve vermogen van de economie. De Duitse economie groeit gemiddeld 1,5 procent per jaar, en die groei zal dan waarschijnlijk afnemen tot 0,8 procent per jaar. Tussen 2020 en 2040 zal er dan zwaar tij komen. Het huidige sociale stelsel zal niet te handhaven blijken. Uitgaven en inkomsten zullen niet meer met elkaar in evenwicht te brengen zijn. De bevolking zal verarmen, en dat zal weer tot een heftige politieke strijd leiden.
Mijn collega Herwig Birg heeft geschreven dat de situatie in Europa zelfs niet met de Dertigjarige Oorlog te vergelijken is. En ik denk dat hij niet overdrijft. De bevolking van Duitsland nam toen weliswaar met een derde af, maar na de Vrede van Westfalen in 1648 brak een periode van stabiliteit aan en deed zich ook de vooruitgang in de agrarische economie voor die het mogelijk maakte een groeiende bevolking te voeden. Daarmee werd de basis gelegd voor het latere succes van de industriële revolutie. Op basis van de lage vruchtbaarheid zoals die momenteel in Europa bestaat, hoeven we voorlopig niet meer te rekenen op een constante economische groei – zelfs niet in een situatie van grote technologische doorbraken.
En op cultureel-religieus gebied?
Ten tijde van het laat-Romeinse Rijk deed zich al een tekort aan nakomelingen voor. Het leger kon alleen voortbestaan door
‘barbaren’ in dienst te nemen. De Volksverhuizingen leidden daarna, zoals bekend, zowel tot verwoestingen als tot de komst van veel nieuw en vers bloed. Europa zal als een van de hoogst ontwikkelde economieën niet leeg raken, maar aantrekkingskracht blijven uitoefenen op mensen uit Noord- en Centraal-Afrika, en op mensen uit andere gebieden met bevolkingsoverschotten. Het kan zijn dat deze immigranten langzaam maar zeker veel van de Europese cultuur in hun eigen interpretatie gaan overnemen, zoals de Franken en Goten dat destijds ook van de Romeinen hebben gedaan. Maar de troost hiervan voor de oud-ingezetenen moet volgens mij bescheiden zijn.
Wat de cultuur-religieuze gevolgen precies zullen zijn, is nog een open vraag. Zal zich een grote islamisering van Europa voor gaan doen? We zien nu dat kleine groepen zich al tot de islam bekeren, maar dat is nog geen enorme trend. Bovendien verwacht ik dat de christelijke idealen, die zoveel beter en vreedzamer zijn, zullen triomferen. Ik hoop op een christelijk reveil van onderaf, en ik verwacht dat de meeste moslims op den duur democratische en westerse waarden zullen gaan omhelzen. Maar ik voeg daar nadrukkelijk aan toe: dat zal allemaal niet vanzelf gaan. In Nederland is de derde generatie immigranten slechter geïntegreerd dan de eerste. We mogen niet permissief zijn, maar we moeten scherp en duidelijk op integratie aandringen. Scholen moeten daarin een beslissende rol gaan spelen, onder andere door het vroegtijdig wegwerken van taalachterstanden.
Ik denk, of hoop, dus dat de huidige trend tot een reactie, een mentaliteitsomslag, zal leiden en dat die de lineaire ontwikkeling van de huidige trend zal ombuigen.
Wat moet er gebeuren om het tweede scenario werkelijkheid te laten worden?
In het tweede scenario worden deze trends dus gekeerd. Het is altijd zo dat bepaalde ontwikkelingen reacties oproepen en zich dus niet zonder meer lineair zullen voortzetten, zoals in de prognoses van Mark Steyn. Daarom vergissen demografen zich ook altijd. Maar het keren van de trend zal niet vanzelf gaan, dat verdient opnieuw alle nadruk, zeker omdat de huidige trend al zo lang duurt en de kans dat die zich voortzet daarmee alleen maar groter wordt.
Om de trend te keren en het tweede scenario werkelijkheid te laten worden, zijn politieke ingrepen nodig. En dan doet het probleem zich voor dat we bij demografische kwesties over lange-termijnontwikkelingen spreken – een verhoging van het geboortecijfer zal, om slechts dit als voorbeeld te geven, pas met een vertraging van 15 tot 25 jaar een positieve wending veroorzaken – en dat politici het liefst kleinere, beter hanteerbare onderwerpen ter hand nemen. Het probleem van de bevolkingskrimp wordt daardoor verdrongen. De vraag of iets door menselijk handelen te beïnvloeden is of als een soort natuurramp over ons heen komt, de keus tussen optimisme en defaitisme, zien we nu ook bij het debat over de klimaatsverandering – een verschijnsel dat zo oud is als de aarde zelf. Die discussie dreigt ook in een geloofsstrijd te ontaarden, waarin niet de nuchtere feiten spreken, en waarin de kansen om de ontwikkelingen door menselijke creativiteit en innovaties om te buigen niet de volle nadruk krijgen. Een dergelijke polarisatie moeten we in het debat over de demografische ontwikkelingen voorkomen – zeker omdat de cijfers maar weinig ruimte voor interpretatie toelaten.
Maar er moeten politieke oplossingen komen, en die moeten er in de eerste plaats op gericht zijn de economische aantrekkelijkheid van kinderloosheid te veranderen. Alleen al economisch gezien is het krijgen en opvoeden van kinderen van grote waarde voor de samenleving. We moeten daarbij als uitgangspunt nemen dat mensen met kinderen in de toekomst investeren, in de toekomst van de samenleving, zonder dat ze daar in een moderne, niet-agrarische samenleving iets voor terugkrijgen. De kosten die ouders voor hun kinderen maken, moeten dus aftrekbaar worden gemaakt, terwijl mannen en vrouwen die voor kinderloosheid kiezen, en daarmee niet voor menselijke investeringen in de toekomst van de samenleving, meer belasting zouden moeten gaan betalen.
Waar komen politieke maatregelen verder nog op neer?
Die komen in essentie neer op een oplossing van het Frauen-Problem. Hoe kunnen zij hun carrière voortzetten nadat zij kinderen hebben gekregen en niet weer opnieuw afhankelijk worden van hun man? In Duitsland willen veel vrouwen geen kinderen omdat dat bezwaarlijk is voor hun loopbaan. Of ze stellen het uit, en dan krijgen ze minder kinderen, of ze zijn ineens veertig en dan lukt het niet meer.
Ik zie, naast de al genoemde algemene maatregelen, drie kansen om het scenario van Mark Steyn te voorkomen.
We moeten eerst proberen de kinderbereidheid te stabiliseren door de combinatie van werk en kinderen voor vrouwen gemakkelijker te maken. Deze politiek voor de ouders moet onder andere bestaan uit een forse uitbreiding van kwalitatief hoogstaande crèches, zoals CDU-minister Ursula von der Leyen, zelf moeder van zeven kinderen, al heeft bepleit. Maar dat is niet genoeg, omdat de situatie te complex is.
In de tweede plaats moeten we vrouwen die drie of meer kinderen krijgen, en dus zeker tijdens de eerste jaren van hun moederschap niet kunnen werken, financieel ondersteunen. Eenmalige premies, zoals de Russische president Poetin die bepleit, en de nazi’s al voor hem, zijn ethisch onverantwoord; ze zijn bovendien bedrog, omdat de kosten die het hebben van kinderen met zich meebrengt, in geen enkele relatie staan tot de hoogte van zo’n eenmalige uitkering.
Er is geen sprake van een simplistische geloofsoorlog, de zaken liggen zeer ingewikkeld. Deze kansen kunnen ook niet zomaar via de politiek voorgestructureerd worden. Het krijgen van kinderen is een zaak tussen twee mensen. Als ze het eens zijn, zo leert de ervaring, komen er kinderen. Leven zij op dit punt in conflict met elkaar, dan komen er minder of geen kinderen. Harmonie tussen man en vrouw is de belangrijkste factor. Als een vrouw wil werken en dat ook kan, gedijen de kinderen goed. Het gaat de kinderen ook goed als de vrouw gewoon huisvrouw wil zijn. Maar als een vrouw wil werken maar dat niet kan, dan is dat ook niet goed voor de kinderen.
En de derde kans bestaat erin dat we kinderen van immigranten beter gaan kwalificeren voor het leven in moderne, Europese landen. Integratie, socialisatie, om een onderklasse en alle problemen en conflicten die daarvan weer het gevolg zijn, te voorkomen.
Bent u pessimistisch of optimistisch?
Ik ben optimistisch wanneer ik bedenk dat het Westen al zoveel eerder grote uitdagingen als bijvoorbeeld oorlogen het hoofd heeft weten te bieden. Maar ik ben sceptisch-optimistisch omdat ik me ook realiseer hoeveel culturele kracht ervoor nodig is om het tij van de huidige grote sociale veranderingen te keren.
Bron: Opinio (http://opinio.nu/) met dank aan Novopress
http://www.akademie-schwerte.de/medien/bilder/246/k1_m309.jpg
Een interview met Franz-Xaver Kaufmann, internationaal vermaard demograaf en socioloog, emeritus hoogleraar aan de universiteit van Bielefeld in Duitsland.
Demografie in harde cijfers
Het gemiddelde aantal kinderen per vrouw
Het gemiddelde aantal kinderen per vrouw in 25 lidstaten van de Europese Unie (dus nog zonder Roemenië en Bulgarije) daalt sinds de jaren zestig. In de periode daarvoor lag het cijfer nog ruim boven het vervangingscijfer van 2,1. In het midden van de jaren zeventig zakte het gemiddelde onder dit getal, en daalde het vervolgens verder tot het huidige gemiddelde van 1,49, een daling dus van bijna een derde ten opzichte van het vervangingscijfer van 2,1.
In de nieuwe, vooral Oost-Europese lidstaten is de trend iets anders dan in de vijftien oude lidstaten die tot 1 mei 2004 de Europese Unie vormden. In Oost-Europese landen liep de vruchtbaarheid in de jaren tachtig licht terug, en ging ze in de tweede helft van de jaren negentig, na de val van de Muur, sneller achteruit. Deze verdere teruggang zou te maken kunnen hebben met de afschaffing van het positieve vruchtbaarheidsbeleid van voor die tijd, met economische onzekerheid en met de grotere beschikbaarheid van contraceptie.
De ontwikkeling in deze 25 EU-landen van de afgelopen veertig jaar heeft zich als volgt voltrokken:
1964 2,64
1974 2,11
1980 1,88
1990 1,64
2004 1,49
Ter vergelijking: in bijna alle landen in de wereld daalt de vruchtbaarheid sinds de jaren zestig. In Nigeria daalde de vruchtbaarheid in dezelfde periode van 6,90 kinderen per vrouw in 1960 tot 5,57 in 2004, en in Rusland van 2,55 tot 1,26.
Binnen de Europese landen bestaan aanzienlijke verschillen. Nederland was in 1960 nog een van de meest vruchtbare landen, met een vruchtbaarheidscijfer van 3,12 kinderen per vrouw. Vervolgens daalde de vruchtbaarheid in Nederland vanaf het midden van de jaren zeventig zeer abrupt, tot een dieptepunt van 1,51 in 1985. Sindsdien is het weer iets opgeklommen (mede door de komst van grote hoeveelheden immigranten die veel meer kinderen krijgen) tot het huidige 1,73.
In Frankrijk is er sprake van een gestage neergang van 2,73 in 1960 tot 1,9 in 2004.
In Spanje bleef het vruchtbaarheidscijfer van 2,86 in 1960 tot 1975 stabiel, en het daalde daarna snel tot 1,64 in 1985, en sindsdien verder tot het huidige cijfer van 1,32 (een van de laagste in de wereld). Italië, Griekenland, Polen en Tsjechië zitten ook rond dit cijfer.
In Duitsland begon de vruchtbaarheid al direct na de oorlog te dalen, en ze was in 1960 al slechts 2,37 kinderen per vrouw. Daarna daalde de vruchtbaarheid snel tot 1,37 in 1985. In 1990, na de val van de Muur, nam de vruchtbaarheid een paar jaar lang weer even toe, tot 1,45, om vervolgens al snel weer terug te vallen tot het huidige cijfer van 1,36.
In het Verenigd Koninkrijk bedroeg de vruchtbaarheid in 1960 nog 2,72. Sinds 1975 schommelt die rond het huidige cijfer van 1,74.
Verdere cijfers
– Sinds de eerste helft van de jaren tachtig is de leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen in de 25 EU-lidstaten met meer dan drie jaar gestegen, van 24,9 tot 28. De landen waar vrouwen het laatst met kinderen beginnen, zijn Nederland, Spanje en Italië. (In Nederland is de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen het hoogst, namelijk 30,5 jaar.)
– Na 1990 is in de 25 EU-landen immigratie de belangrijkste component van bevolkingsgroei.
– Italië heeft de oudste bevolking van de EU, met een gemiddelde leeftijd van 42,3 jaar, zeven jaar ouder dan in Ierland, het land met de jongste bevolking.
– De verwachting is dat de bevolking van de EU door natuurlijke sterfte vanaf 2005 afneemt. De meeste recent toegetreden landen in Oost-Europa hebben nu al een krimpende bevolking. Vanaf 2007 zal echter de actieve beroepsbevolking, het aantal werkenden tussen de 20 en 59 jaar oud, gaan krimpen. In Duitsland zal die krimp meer dan 11 miljoen mensen bedragen, hetgeen een reductie van een kwart van de huidige arbeidsmarkt betekent.
– Verwacht wordt dat de bevolking van Duitsland en Italië in 2050 met ongeveer 10 procent gekrompen zal zijn vergeleken met nu. Polen en Hongarije zullen nog meer krimpen.
Bron: Population Statistics, een uitgave van Eurostat, Office for Official Publications of the European Communities, 2006.
Hoe komt het, vroeg de Duitse president Köhler zich af, dat wij in Duitsland steeds minder kinderen krijgen? Geloven wij niet meer in onze toekomst? Kinderen betekenen nieuwsgierigheid, creativiteit en vertrouwen. Kinderen zijn bruggen naar de wereld van morgen
Tussen 2020 en 2040 zal er zwaar
tij komen. Het huidige sociale stelsel zal niet te handhaven blijken. Uitgaven en inkomsten zullen niet meer met elkaar in evenwicht te brengen zijn. De bevolking zal verarmen, en dat zal weer tot een heftige politieke strijd leiden
We moeten als uitgangspunt nemen dat mensen met kinderen in de toekomst van de samenleving investeren. De kosten die ouders voor hun kinderen maken, moeten dus aftrekbaar worden gemaakt, terwijl mannen en vrouwen die voor kinderloosheid kiezen, meer belasting zouden moeten gaan betalen
Welke demografische ontwikkelingen voltrekken zich nu precies in Europa?
De demografische ontwikkelingen in Europa worden door drie zaken bepaald: door de vruchtbaarheidscijfers (hoeveel kinderen worden er geboren?), door de vergrijzing en door de immigratie. En dan is het algemene beeld: Europa krimpt, wordt ouder en bonter. De meeste mensen denken dat de vergrijzing van de bevolking het grote probleem is, en daar hoor je politici dan ook over, maar het grote probleem is het feit dat er steeds minder kinderen worden geboren, dat de piramide van de bevolkingsopbouw op zijn kop komt te staan en dat in een aantal Europese landen de groei – als die zich al zal voordoen – uitsluitend toe te schrijven zal zijn aan de groei van het allochtone bevolkingsdeel.
Zijn de ontwikkelingen in alle Europese landen hetzelfde?
Binnen Europa bestaan er grote verschillen. In de Scandinavische landen, en ook in Ierland en Frankrijk, gaat het relatief goed: de bevolking handhaaft zich daar iets onder de 2,1 kind per vrouw, het aantal dat nodig is om de bevolking op hetzelfde niveau te houden.
Maar elders in Europa zitten de geboortecijfers substantieel onder dit zogeheten vervangingsniveau, en die teruggang is zorgelijk. In Oost-Europa was het kindercijfer vóór 1990 laag, en het steeg even na het optimisme in het begin van de jaren negentig, als gevolg van de val van de Muur, maar inmiddels is het cijfer ook daar flink gekelderd tot ver onder het vervangingsniveau. In 1988 werden in de toenmalige DDR nog 220.000 kinderen per jaar geboren; in 1994, het absolute dieptepunt in Oost-Duitsland, was dat aantal gedaald naar 79.000. Dat is een wereldrecord.
Ook in het katholieke Zuid-Europa hebben de teloorgang van het traditionele geloof, inclusief de visie op de man-vrouwverhouding, en de teloorgang van een door dat geloof geïnspireerde manier van leven, tot een sterke daling van het aantal geboorten geleid. En ik denk dat ook het traditionele machismo een grote rol speelt. Paternalisme is eigenlijk een betere term: grote verschillen tussen de rol van mannen en vrouwen, met de man als hoofd van het gezin die het voor het zeggen heeft, en vrouwen die weinig in te brengen hebben. Oorspronkelijk leidde dit paternalisme juist tot veel kinderen, maar de komst van de pil heeft de machtsbalans tussen mannen en vrouwen met name in deze landen sterk veranderd en ertoe geleid dat vrouwen, nu zij wél de keus kunnen maken, nog vaker kiezen voor een andere levensstijl met minder of geen kinderen.
In de van oudsher meer egalitaire Noord-Europese landen, waar gelijke rechten eerder aanwezig waren, is deze omslag minder ingrijpend. Duitsland behoort in dit verband tot de meer paternalistische landen. En in Duitsland heeft dat lange tijd geleid tot een verkeerde familiepolitiek: het CDU was echt een huisvrouwenpartij, en de SPD de partij van de tweeverdieners, alsof er geen compromissen mogelijk zijn. Die situatie is in de huidige Gross­koalition wel aan het veranderen, dankzij minister Ursula von der Leyen voor Gezin en Familie, die zelf zeven kinderen heeft en christelijk is, maar ook een drukke baan heeft.
En wat zijn de cijfers voor Nederland?
Nederland zit zo’n beetje tussen de Scandinavische en Zuid-Europese landen in. De vruchtbaarheids­daling begon er later dan in Duitsland, waar het aantal kinderen al rond de jaren vijftig dramatisch was teruggelopen. Duitsland had toen de laagste vruchtbaarheid van Europa. Samen met Italië was Nederland direct na de oorlog nog Europees koploper wat de vruchtbaarheid betreft, ook omdat Nederland in die tijd nog sterk conservatief en religieus was. In 1960 bedroeg het gemiddelde aantal kinderen per Nederlandse vrouw nog 3,12. Maar toen eind jaren zestig, begin jaren zeventig de daling in de vruchtbaarheid ook in Nederland kwam, was die omslag wel sneller en scherper. In 1985 werd een dieptepunt bereikt met 1,51 kind per vrouw.
In Duitsland schommelt het vruchtbaarheidscijfer van autochtonen op dit moment rond de 1,1 en 1,2. Bij immigranten, inclusief de vele Volksduitsers die na de oorlog naar Duitsland zijn getrokken, is dat 1,8. De vruchtbaarheid onder Turkse immigranten is waarschijnlijk nog aanzienlijk hoger.
Is de situatie in de Verenigde Staten beter?
Onder de WASP’s – de blanke, Angelsaksische protestanten in de steden – is het geboortecijfer vergelijkbaar met dat in Europa. Bij de Joden ligt het erg laag, gemiddeld op maximaal 1,0 kind per vrouw. Maar Amerika wordt ‘gered’ door de instroom van immigranten uit vooral Zuid-Amerikaanse landen. Deze hispanics zijn nog traditioneel katholiek en krijgen veel kinderen. Daardoor komt het gemiddelde in de VS toch op 2 uit.
Wat is volgens u de belangrijkste oorzaak van deze teruggang?
Er is een algemene tendens in onze cultuur, waarvan de precieze oorsprong moeilijk te bepalen is. Kort na zijn aantreden in mei 2004 heeft de Duitse president Horst Köhler deze kwestie in de Bondsdag vragenderwijs aan de orde gesteld. Hoe komt het, vroeg hij, dat wij in Duitsland steeds minder kinderen krijgen? Geloven wij niet meer in onze toekomst? Kinderen betekenen nieuwsgierigheid, creativiteit en vertrouwen. Kinderen zijn bruggen naar de wereld van morgen. We moeten ons met z’n allen inspannen om een samenleving te worden die vriendelijker is voor gezinnen en kinderen. Zo zei hij dat, onder bijval van onze Tweede Kamer. Het is nog nooit voorgekomen dat een Duits staatshoofd zo bezwerend over de demografische situatie heeft gesproken.
Meer specifiek geldt dat de band tussen seksualiteit en voortplanting sinds de jaren zestig radicaal is doorgesneden. De pil, die rond 1965 steeds algemener in gebruik kwam, heeft de machtsbalans tussen man en vrouw op zijn kop gezet. Daarvóór was seks altijd ‘risicovol’ vanwege een mogelijke zwangerschap. Seks kan nu zonder gevolgen blijven en is daarmee op zichzelf komen te staan. Deze nieuwe voorbehoedsmiddelen hebben dus een grote culturele verandering geschapen. Er ontstond een levensstijl die we postmodern zijn gaan noemen, met een sterke nadruk op individualisme en hedonisme, en de afbraak van het traditionele huwelijk ten gunste van lossere relaties. De Nederlandse demograaf Dick van de Kaa noemde dit de ‘tweede demografische overgang’.
Vroeger ging mijn vak over de vraag waarom mensen minder kinderen kregen. Nu gaat de demografie eigenlijk om de vraag hoe het komt dat mensen überhaupt nog kinderen krijgen.
Ondanks deze zorgelijke cijfers lijkt het probleem niet als hoogst urgent te worden ervaren.
Nee, en dat komt waarschijnlijk omdat de sterfelijkheid ook terugloopt. De vergrijzing maakt de krimp onzichtbaar. Na de Tweede Wereldoorlog liep de zuigelingen- en kindersterfte sterk terug, en dat heeft hetzelfde effect als een hoger vruchtbaarheidscijfer gehad: meer kinderen en per saldo een verjonging van de bevolking. De komst van antibiotica en andere ontwikkelingen in de medische wetenschap hebben de afgelopen decennia juist voor ouderen gunstig uitgepakt. De gemiddelde leeftijd van de mens stijgt elk jaar met twee tot drie maanden. De bevolking blijft dus groeien, maar we vergeten te bedenken dat de bevolking tegelijkertijd vooral ouder wordt. Omdat mensen nu langer leven, zien we veel minder snel hoezeer de dalende vruchtbaarheid de bevolkingsaantallen beïnvloedt. De bevolking groeit nog wel, maar de groei komt door ouderen in plaats van door jongeren. Dat de bevolking vergrijst, wordt als een groot politiek probleem ervaren, maar het ouder worden van onze bevolking zou geen probleem zijn wanneer er voldoende kinderen werden geboren.
Welke rol speelt de immigratie, de derde factor in de demografische ontwikkelingen?
De immigratie is van land tot land zeer verschillend, maar over het algemeen leidt zij tot een stijging van de geboortecijfers. Of we daar iets aan hebben, hangt af van de vraag of deze immigranten zich niet alleen reproduceren maar zich ook tot productieve medelanders ontwikkelen. Een goede integratie van de tweede generatie van immigranten wordt sterk bemoeilijkt doordat zij, in Duitsland althans, vooral afkomstig zijn uit de binnenlanden van Turkije en daarmee een clancultuur, inclusief eerwraak en dat soort zaken, meenemen die haaks op onze cultuur staat. En bovendien zien we in toenemende mate conflicten tussen Turken en Arabieren ontstaan. Zolang dat zo is, zal immigratie geen oplossing bieden voor de vraagstukken van vergrijzing en bevolkingskrimp.
Wat zijn de tendensen en prognoses?
Er zijn twee mogelijkheden: óf de trends zoals die zich sinds 1965 aftekenen, zetten zich lineair door, of er komt een reactie waardoor de huidige demografische trend wordt gekeerd.
In het eerste scenario krijgt Mark Steyn gelijk, dan sterft Europa uit en pleegt daarmee culturele zelfmoord. De vruchtbaarheid blijft dan gemiddeld 1,5 kind per vrouw, wat niet voldoende is om onszelf te vervangen.
We moeten niet vergeten dat niet alleen bevolkingsgroei maar ook bevolkingskrimp zich langs exponentiële lijnen voltrekt. Stel bijvoorbeeld dat in Duitsland één miljoen mensen wonen, en dat de vrouwen tussen de 1,4 en 1,5 kinderen krijgen, twee derde van het vervangingscijfer van 2,1. Na één generatie is de bevolking dan gekrompen tot 660.000 mensen, na twee generaties tot 440.000, en na drie generaties tot rond de 300.000. Ofwel, als de vruchtbaarheid blijft zoals die nu is, krimpt een bevolking na drie generaties tot 30 procent van het oorspronkelijke aantal.
De rol van de immigratie, alhoewel die politiek het gemakkelijkst te beïnvloeden is, is in dit scenario zó moeilijk te voorspellen dat geen enkele prognose heel serieus kan worden genomen. De arabist Bernard Lewis heeft voorspeld dat in 2050 de helft van de bevolking in Duitsland moslim zal zijn, maar dat is te dramatiserend. Moslims zullen niet op korte termijn de meerderheid van de bevolking vormen. Recent onderzoek van de universiteit van Tübingen laat zien dat het aandeel van de moslims – van wie we er hier in Duitsland momenteel 3,3 miljoen hebben, dat is 4 procent van de bevolking – in 2030 gestegen zal zijn naar 7 miljoen, 10 procent van de bevolking. Zelf denk ik dat dit percentage tegen die tijd nog iets hoger zal uitkomen en in 2050 ongeveer 35 procent zal bedragen. De importhuwelijken spelen hierbij een grote rol. Veel moslimmannen willen niet integreren en willen een onderdanige vrouw, die nog niet ‘verpest’ en mondig geworden is door het moderne klimaat. In de regio’s waar deze vrouwen en mannen vandaan komen, agrarische gebieden, zijn kinderen geen belasting maar rijkdom.
Moslims zullen geen meerderheid vormen, maar natuurlijk wel nog meer invloed krijgen dan ze nu al hebben.
Wat zullen de gevolgen zijn wanneer de huidige trend zich lineair voortzet?
In sociaal-economisch opzicht zal dat betekenen dat de economische groei zal dalen, en daarmee ook het innovatieve vermogen van de economie. De Duitse economie groeit gemiddeld 1,5 procent per jaar, en die groei zal dan waarschijnlijk afnemen tot 0,8 procent per jaar. Tussen 2020 en 2040 zal er dan zwaar tij komen. Het huidige sociale stelsel zal niet te handhaven blijken. Uitgaven en inkomsten zullen niet meer met elkaar in evenwicht te brengen zijn. De bevolking zal verarmen, en dat zal weer tot een heftige politieke strijd leiden.
Mijn collega Herwig Birg heeft geschreven dat de situatie in Europa zelfs niet met de Dertigjarige Oorlog te vergelijken is. En ik denk dat hij niet overdrijft. De bevolking van Duitsland nam toen weliswaar met een derde af, maar na de Vrede van Westfalen in 1648 brak een periode van stabiliteit aan en deed zich ook de vooruitgang in de agrarische economie voor die het mogelijk maakte een groeiende bevolking te voeden. Daarmee werd de basis gelegd voor het latere succes van de industriële revolutie. Op basis van de lage vruchtbaarheid zoals die momenteel in Europa bestaat, hoeven we voorlopig niet meer te rekenen op een constante economische groei – zelfs niet in een situatie van grote technologische doorbraken.
En op cultureel-religieus gebied?
Ten tijde van het laat-Romeinse Rijk deed zich al een tekort aan nakomelingen voor. Het leger kon alleen voortbestaan door
‘barbaren’ in dienst te nemen. De Volksverhuizingen leidden daarna, zoals bekend, zowel tot verwoestingen als tot de komst van veel nieuw en vers bloed. Europa zal als een van de hoogst ontwikkelde economieën niet leeg raken, maar aantrekkingskracht blijven uitoefenen op mensen uit Noord- en Centraal-Afrika, en op mensen uit andere gebieden met bevolkingsoverschotten. Het kan zijn dat deze immigranten langzaam maar zeker veel van de Europese cultuur in hun eigen interpretatie gaan overnemen, zoals de Franken en Goten dat destijds ook van de Romeinen hebben gedaan. Maar de troost hiervan voor de oud-ingezetenen moet volgens mij bescheiden zijn.
Wat de cultuur-religieuze gevolgen precies zullen zijn, is nog een open vraag. Zal zich een grote islamisering van Europa voor gaan doen? We zien nu dat kleine groepen zich al tot de islam bekeren, maar dat is nog geen enorme trend. Bovendien verwacht ik dat de christelijke idealen, die zoveel beter en vreedzamer zijn, zullen triomferen. Ik hoop op een christelijk reveil van onderaf, en ik verwacht dat de meeste moslims op den duur democratische en westerse waarden zullen gaan omhelzen. Maar ik voeg daar nadrukkelijk aan toe: dat zal allemaal niet vanzelf gaan. In Nederland is de derde generatie immigranten slechter geïntegreerd dan de eerste. We mogen niet permissief zijn, maar we moeten scherp en duidelijk op integratie aandringen. Scholen moeten daarin een beslissende rol gaan spelen, onder andere door het vroegtijdig wegwerken van taalachterstanden.
Ik denk, of hoop, dus dat de huidige trend tot een reactie, een mentaliteitsomslag, zal leiden en dat die de lineaire ontwikkeling van de huidige trend zal ombuigen.
Wat moet er gebeuren om het tweede scenario werkelijkheid te laten worden?
In het tweede scenario worden deze trends dus gekeerd. Het is altijd zo dat bepaalde ontwikkelingen reacties oproepen en zich dus niet zonder meer lineair zullen voortzetten, zoals in de prognoses van Mark Steyn. Daarom vergissen demografen zich ook altijd. Maar het keren van de trend zal niet vanzelf gaan, dat verdient opnieuw alle nadruk, zeker omdat de huidige trend al zo lang duurt en de kans dat die zich voortzet daarmee alleen maar groter wordt.
Om de trend te keren en het tweede scenario werkelijkheid te laten worden, zijn politieke ingrepen nodig. En dan doet het probleem zich voor dat we bij demografische kwesties over lange-termijnontwikkelingen spreken – een verhoging van het geboortecijfer zal, om slechts dit als voorbeeld te geven, pas met een vertraging van 15 tot 25 jaar een positieve wending veroorzaken – en dat politici het liefst kleinere, beter hanteerbare onderwerpen ter hand nemen. Het probleem van de bevolkingskrimp wordt daardoor verdrongen. De vraag of iets door menselijk handelen te beïnvloeden is of als een soort natuurramp over ons heen komt, de keus tussen optimisme en defaitisme, zien we nu ook bij het debat over de klimaatsverandering – een verschijnsel dat zo oud is als de aarde zelf. Die discussie dreigt ook in een geloofsstrijd te ontaarden, waarin niet de nuchtere feiten spreken, en waarin de kansen om de ontwikkelingen door menselijke creativiteit en innovaties om te buigen niet de volle nadruk krijgen. Een dergelijke polarisatie moeten we in het debat over de demografische ontwikkelingen voorkomen – zeker omdat de cijfers maar weinig ruimte voor interpretatie toelaten.
Maar er moeten politieke oplossingen komen, en die moeten er in de eerste plaats op gericht zijn de economische aantrekkelijkheid van kinderloosheid te veranderen. Alleen al economisch gezien is het krijgen en opvoeden van kinderen van grote waarde voor de samenleving. We moeten daarbij als uitgangspunt nemen dat mensen met kinderen in de toekomst investeren, in de toekomst van de samenleving, zonder dat ze daar in een moderne, niet-agrarische samenleving iets voor terugkrijgen. De kosten die ouders voor hun kinderen maken, moeten dus aftrekbaar worden gemaakt, terwijl mannen en vrouwen die voor kinderloosheid kiezen, en daarmee niet voor menselijke investeringen in de toekomst van de samenleving, meer belasting zouden moeten gaan betalen.
Waar komen politieke maatregelen verder nog op neer?
Die komen in essentie neer op een oplossing van het Frauen-Problem. Hoe kunnen zij hun carrière voortzetten nadat zij kinderen hebben gekregen en niet weer opnieuw afhankelijk worden van hun man? In Duitsland willen veel vrouwen geen kinderen omdat dat bezwaarlijk is voor hun loopbaan. Of ze stellen het uit, en dan krijgen ze minder kinderen, of ze zijn ineens veertig en dan lukt het niet meer.
Ik zie, naast de al genoemde algemene maatregelen, drie kansen om het scenario van Mark Steyn te voorkomen.
We moeten eerst proberen de kinderbereidheid te stabiliseren door de combinatie van werk en kinderen voor vrouwen gemakkelijker te maken. Deze politiek voor de ouders moet onder andere bestaan uit een forse uitbreiding van kwalitatief hoogstaande crèches, zoals CDU-minister Ursula von der Leyen, zelf moeder van zeven kinderen, al heeft bepleit. Maar dat is niet genoeg, omdat de situatie te complex is.
In de tweede plaats moeten we vrouwen die drie of meer kinderen krijgen, en dus zeker tijdens de eerste jaren van hun moederschap niet kunnen werken, financieel ondersteunen. Eenmalige premies, zoals de Russische president Poetin die bepleit, en de nazi’s al voor hem, zijn ethisch onverantwoord; ze zijn bovendien bedrog, omdat de kosten die het hebben van kinderen met zich meebrengt, in geen enkele relatie staan tot de hoogte van zo’n eenmalige uitkering.
Er is geen sprake van een simplistische geloofsoorlog, de zaken liggen zeer ingewikkeld. Deze kansen kunnen ook niet zomaar via de politiek voorgestructureerd worden. Het krijgen van kinderen is een zaak tussen twee mensen. Als ze het eens zijn, zo leert de ervaring, komen er kinderen. Leven zij op dit punt in conflict met elkaar, dan komen er minder of geen kinderen. Harmonie tussen man en vrouw is de belangrijkste factor. Als een vrouw wil werken en dat ook kan, gedijen de kinderen goed. Het gaat de kinderen ook goed als de vrouw gewoon huisvrouw wil zijn. Maar als een vrouw wil werken maar dat niet kan, dan is dat ook niet goed voor de kinderen.
En de derde kans bestaat erin dat we kinderen van immigranten beter gaan kwalificeren voor het leven in moderne, Europese landen. Integratie, socialisatie, om een onderklasse en alle problemen en conflicten die daarvan weer het gevolg zijn, te voorkomen.
Bent u pessimistisch of optimistisch?
Ik ben optimistisch wanneer ik bedenk dat het Westen al zoveel eerder grote uitdagingen als bijvoorbeeld oorlogen het hoofd heeft weten te bieden. Maar ik ben sceptisch-optimistisch omdat ik me ook realiseer hoeveel culturele kracht ervoor nodig is om het tij van de huidige grote sociale veranderingen te keren.
Bron: Opinio (http://opinio.nu/) met dank aan Novopress