Johnnie
25 mei 2007, 11:37
Huug van Ooijen, cultureel antropoloog, organisatieadviseur binnen het welzijnswerk
De problemen rond Marokkanen verdwijnen niet met de huidige aanpak. Die laat de groepscultuur intact.
Het ’Marokkanenvraagstuk’ stelt al jaren de grenzen en mogelijkheden van instituties en hulpverleners zwaar op de proef. Alleen Amsterdam-West telt al meer dan dertig, langs elkaar heen werkende instellingen en projecten – zonder merkbaar resultaat. Volgens burgemeester Cohen komt dat doordat organisaties moeilijk over de eigen schaduw heen kunnen springen; zij staan collectief machteloos bij de aanpak van het probleem. De hoofdstad kondigt binnen een jaar een trendbreuk aan. Hoopvolle taal, maar hoe komt het toch dat we nu al vijfentwintig jaar falen in het oplossen van dit hoog op de beleidsagenda genoteerde probleem?
Een van de redenen is dat de omvang van het probleem nog steeds niet wordt erkend. Bijna tweederde van de oudere Marokkaanse mannen heeft een uitkering, jongens scoren zeer hoog in de statistieken van overlast, criminaliteit en schoolverlaten. Het gaat dus niet om een relatief klein groepje ’dat het verpest voor de meerderheid’, zoals in Marokkaanse én beleidskringen wordt beweerd. Er bestaat een grote, problematische verzameling van Marokkaanse gezinnen, families en netwerken met Hollandse boter op het hoofd, waarin deze jongens blijkbaar goed kunnen gedijen.
Ook de culturele factor is te lang ontkend. Nog steeds hebben beleidsmakers de neiging het probleem te verklaren in termen van sociaal-economische achterstand. Maar ook na correctie van sociaal-economische factoren scoren Marokkanen hoog in de probleemstatistieken. Dit kan tot geen andere conclusie leiden dan dat er een ’culturele factor’ is.
In de Marokkaanse gemeenschap voltrekt zich al jaren een verontrustend proces van etnisering en islamisering, waarbij zij zich inmiddels heeft ontwikkeld tot een op achterklap en achterdocht gebaseerde groep met een hoge mate van misplaatst eergevoel, vijandigheid naar de Nederlandse samenleving, en lange tenen.
Nog steeds doet de overheid een beroep op het zelfreinigend vermogen van de Marokkaanse gemeenschap. Zij staart zich blind op enkele positieve druppeltjes op de gloeiende plaat. Maar veertig jaar van stimuleren en van veelal gesubsidieerde groepsgewijze emancipatie is aan de meeste Marokkanen niet besteed geweest. Het werkte eerder contraproductief. Marokkaanse organisaties zijn zwak en hopeloos verdeeld. Men wantrouwt eigen voormannen en (er)kent geen vertegenwoordigers.
Ook de talrijke Marokkaanse hulpverleners en jongerenwerkers slagen er niet in – de kanjers daargelaten – om de noodzakelijke professionele afstand te nemen van de eigen groep en cultuur. Ze hebben de neiging negatieve zaken te bagatelliseren.
Wie in het institutionele veld de ogen en oren goed de kost geeft, komt op alle fronten een, veelal verhulde, ’Marokkaanse aanpak’ tegen. In deze categorale benadering wordt ’de’ Marokkaan in eerste instantie niet behandeld als individu met een eigen verantwoordelijkheid, maar als slaafse drager van een ingewikkeld cultureel bepaald juk. Zo ingewikkeld dat er een ware, lucratieve ’Marokkanenindustrie’ is ontstaan van organisaties, projectbureaus, adviesraden, clubjes en cursussen hoe met deze ’culturele anderen’ om te gaan en hoe ze te bereiken.
Deze zichzelf in stand houdende benadering werkt niet. In plaats van bruggen te bouwen, wordt onbedoeld de failliete groepscultuur gestimuleerd. Stop er toch mee. Het belemmert een vrije, meer ontspannen omgang tussen mensen van allerlei snit.
De institutionele chaos rondom het Marokkanenvraagstuk is voor een belangrijk deel te wijten aan de landelijke en lokale overheid zelf. De laatste jaren heeft zij taken, bevoegdheden en kennis afgestoten naar de vrije maar stroperige markt van welzijn en geluk. Het is van belang dat de overheid, als dramaturg en regisseur, de teugels weer strakker in handen neemt, en heldere uitgangspunten en doelen benoemt. Alle overgebleven subsidieneuzen moeten daarna dezelfde kant opstaan. Het aldus na zo’n schoonmaakoperatie bespaarde geld kan besteed worden aan waar het om gaat: de uitvoering! Waarom is er bijvoorbeeld nog geen inspectie voor welzijn en jongerenwerk, net als in het onderwijs?
De wederzijdse stigmatisering moet stoppen. Een stevige en intensieve aanpak is nodig, maar dan wel fair, open en vooral individueel gericht. Het moet daarbij van twee kanten komen.
Ahmed Marcouch, de onvermoeibare (Marokkaanse) stadsdeelvoorzitter zei onlangs dat het niet vijf vóór, maar kwart óver twaalf is. PvdA-Kamerlid Samira Bouchibti riep Marokkanen op niet te wijzen naar de ander, maar zelf wat te doen (Trouw, 19 mei). Laten we hopen dat het kabinet tijdens zijn lange mars van honderd dagen langs de instituties erin is geslaagd door het wazige standpuntenkordon heen te breken en samen met de lokale overheden zijn verantwoordelijkheid neemt. Wellicht is het dan nog niet te laat.
http://www.trouw.nl/deverdieping/podium/article718096.ece/Marokkanendrama_bestaat%2C_erken_het__opinie?backl ink=true
Hoe wil je nou iets rechtbreien wat je pakweg 35 jaar lang aangemoedigd hebt?.Zelfs anno 2007 gaat de regering vrolijk verder met hun positieve discriminatiebeleid.Probleemwijken hernoemen in aandachtswijken.Met een meerderheid van 1 stem even gauw een general pardon er door heen wurgen voor er een nieuw kabinet is en ga zo maar door.Maar wie is nou eigenlijk de schuldige dat het zover heeft kunnen komen. De voorgaande regeringen of diegenen die op de voorgaande regeringen gestemt hebben?Ikzelf hou het op het laatste en in mijn ogen verdienen de gemiddelde burgers in dit landje ook niet beter.Ze hebben er tenslotte zelf om gevraagdat your service
De problemen rond Marokkanen verdwijnen niet met de huidige aanpak. Die laat de groepscultuur intact.
Het ’Marokkanenvraagstuk’ stelt al jaren de grenzen en mogelijkheden van instituties en hulpverleners zwaar op de proef. Alleen Amsterdam-West telt al meer dan dertig, langs elkaar heen werkende instellingen en projecten – zonder merkbaar resultaat. Volgens burgemeester Cohen komt dat doordat organisaties moeilijk over de eigen schaduw heen kunnen springen; zij staan collectief machteloos bij de aanpak van het probleem. De hoofdstad kondigt binnen een jaar een trendbreuk aan. Hoopvolle taal, maar hoe komt het toch dat we nu al vijfentwintig jaar falen in het oplossen van dit hoog op de beleidsagenda genoteerde probleem?
Een van de redenen is dat de omvang van het probleem nog steeds niet wordt erkend. Bijna tweederde van de oudere Marokkaanse mannen heeft een uitkering, jongens scoren zeer hoog in de statistieken van overlast, criminaliteit en schoolverlaten. Het gaat dus niet om een relatief klein groepje ’dat het verpest voor de meerderheid’, zoals in Marokkaanse én beleidskringen wordt beweerd. Er bestaat een grote, problematische verzameling van Marokkaanse gezinnen, families en netwerken met Hollandse boter op het hoofd, waarin deze jongens blijkbaar goed kunnen gedijen.
Ook de culturele factor is te lang ontkend. Nog steeds hebben beleidsmakers de neiging het probleem te verklaren in termen van sociaal-economische achterstand. Maar ook na correctie van sociaal-economische factoren scoren Marokkanen hoog in de probleemstatistieken. Dit kan tot geen andere conclusie leiden dan dat er een ’culturele factor’ is.
In de Marokkaanse gemeenschap voltrekt zich al jaren een verontrustend proces van etnisering en islamisering, waarbij zij zich inmiddels heeft ontwikkeld tot een op achterklap en achterdocht gebaseerde groep met een hoge mate van misplaatst eergevoel, vijandigheid naar de Nederlandse samenleving, en lange tenen.
Nog steeds doet de overheid een beroep op het zelfreinigend vermogen van de Marokkaanse gemeenschap. Zij staart zich blind op enkele positieve druppeltjes op de gloeiende plaat. Maar veertig jaar van stimuleren en van veelal gesubsidieerde groepsgewijze emancipatie is aan de meeste Marokkanen niet besteed geweest. Het werkte eerder contraproductief. Marokkaanse organisaties zijn zwak en hopeloos verdeeld. Men wantrouwt eigen voormannen en (er)kent geen vertegenwoordigers.
Ook de talrijke Marokkaanse hulpverleners en jongerenwerkers slagen er niet in – de kanjers daargelaten – om de noodzakelijke professionele afstand te nemen van de eigen groep en cultuur. Ze hebben de neiging negatieve zaken te bagatelliseren.
Wie in het institutionele veld de ogen en oren goed de kost geeft, komt op alle fronten een, veelal verhulde, ’Marokkaanse aanpak’ tegen. In deze categorale benadering wordt ’de’ Marokkaan in eerste instantie niet behandeld als individu met een eigen verantwoordelijkheid, maar als slaafse drager van een ingewikkeld cultureel bepaald juk. Zo ingewikkeld dat er een ware, lucratieve ’Marokkanenindustrie’ is ontstaan van organisaties, projectbureaus, adviesraden, clubjes en cursussen hoe met deze ’culturele anderen’ om te gaan en hoe ze te bereiken.
Deze zichzelf in stand houdende benadering werkt niet. In plaats van bruggen te bouwen, wordt onbedoeld de failliete groepscultuur gestimuleerd. Stop er toch mee. Het belemmert een vrije, meer ontspannen omgang tussen mensen van allerlei snit.
De institutionele chaos rondom het Marokkanenvraagstuk is voor een belangrijk deel te wijten aan de landelijke en lokale overheid zelf. De laatste jaren heeft zij taken, bevoegdheden en kennis afgestoten naar de vrije maar stroperige markt van welzijn en geluk. Het is van belang dat de overheid, als dramaturg en regisseur, de teugels weer strakker in handen neemt, en heldere uitgangspunten en doelen benoemt. Alle overgebleven subsidieneuzen moeten daarna dezelfde kant opstaan. Het aldus na zo’n schoonmaakoperatie bespaarde geld kan besteed worden aan waar het om gaat: de uitvoering! Waarom is er bijvoorbeeld nog geen inspectie voor welzijn en jongerenwerk, net als in het onderwijs?
De wederzijdse stigmatisering moet stoppen. Een stevige en intensieve aanpak is nodig, maar dan wel fair, open en vooral individueel gericht. Het moet daarbij van twee kanten komen.
Ahmed Marcouch, de onvermoeibare (Marokkaanse) stadsdeelvoorzitter zei onlangs dat het niet vijf vóór, maar kwart óver twaalf is. PvdA-Kamerlid Samira Bouchibti riep Marokkanen op niet te wijzen naar de ander, maar zelf wat te doen (Trouw, 19 mei). Laten we hopen dat het kabinet tijdens zijn lange mars van honderd dagen langs de instituties erin is geslaagd door het wazige standpuntenkordon heen te breken en samen met de lokale overheden zijn verantwoordelijkheid neemt. Wellicht is het dan nog niet te laat.
http://www.trouw.nl/deverdieping/podium/article718096.ece/Marokkanendrama_bestaat%2C_erken_het__opinie?backl ink=true
Hoe wil je nou iets rechtbreien wat je pakweg 35 jaar lang aangemoedigd hebt?.Zelfs anno 2007 gaat de regering vrolijk verder met hun positieve discriminatiebeleid.Probleemwijken hernoemen in aandachtswijken.Met een meerderheid van 1 stem even gauw een general pardon er door heen wurgen voor er een nieuw kabinet is en ga zo maar door.Maar wie is nou eigenlijk de schuldige dat het zover heeft kunnen komen. De voorgaande regeringen of diegenen die op de voorgaande regeringen gestemt hebben?Ikzelf hou het op het laatste en in mijn ogen verdienen de gemiddelde burgers in dit landje ook niet beter.Ze hebben er tenslotte zelf om gevraagdat your service