King George
29 november 2010, 22:29
1. Hoe de wereld is ontstaan
In overoude tijden, toen hemel en aarde en goden en mensen er nog niet waren, ontstond ver in het Zuiden Muspelheem: de wereld van de brandende zon, van het vuur. Aan de grens van Muspelheem zit de wereldreus Surtur met zijn vlammend zwaard. Hij bewaakt zijn rijk en bij het einde der wereld zal hij komen om de goden te overwinnen en de wereld in vuur te doen ondergaan.
In het hoge Noorden echter was Nevelheem: het vaderland van de koude winter, van het eeuwige ijs, van de nevels en de duisternis. En er was een bron in Nevelheem, die Hwergelmir heette: de ruisende kolk. Uit deze bron kwamen twaalf rivieren, die naar het Zuiden stroomden, tussen Nevelheem en Muspelheem in de afgrond stortten en daar tot ijs verstarden. En doordat het water ononderbroken door stroomde, stapelde de ene ijsschots zich op de andere, totdat de gapende diepte geheel gevuld was.
Toen kwamen er vonken vuur uit Muspelheem overge*waaid, die op de ijsschotsen neervielen en deze verwarmden. Daaruit ontstond toen de reus Ymir.
Uit de kruiende ijsschotsen kwam ook de koe Audhumbla te voorschijn. Met haar melk voedde Ymir zich. Op zekere dag lag de reus te slapen en toen groeide uit hem onder zijn ene arm een zoon en onder zijn andere arm een dochter, en van deze beide stamt het gehele geslacht der wereld*reuzen af.
De koe Audhumbla likte aan de zilte ijsschotsen, en zie! toen kwam er een man uit te voorschijn, die Bur heette en diens zoon was Bör. En Bör nam de dochter van een reus, Bestla, tot vrouw en kreeg drie zonen: Odin, Hönir en Loki.
Het duurde niet lang of de drie broers werden groot en sterk, en toen trokken zij ten strijde tegen den oude reus Ymir.
Er ontbrandde een verschrikkelijk gevecht; Ymir werd gedood en er stroomde zoveel bloed uit zijn wonden, dat alle ijsreuzen daarin verdronken; slechts één van hen, Bergelmir geheten, wist zich met zijn vrouw op een boot te redden, en van deze beiden stammen alle latere reuzengeslachten af.
Odin, Hönir en Loki namen de dode Ymir, wierpen hem midden in de dampende afgrond tussen Nevelheem en Muspelheem en vormden uit hem de wereld. Uit zijn vlees schiepen zij de aarde, uit zijn bloed de zee en alle water, uit zijn beenderen de bergen, uit zijn tanden de stenen, uit zijn schedel de hemel. Toen namen zij de wenkbrauwen van de reus en schiepen daaruit een stevige dijk tegen de zee. Zo waren land en water van elkaar gescheiden, en de aarde werd droog, en er bloeiden gras, bloemen en bomen uit op. De goden nu noemden het vruchtbare land Midgaard en be*stemden het tot woonplaats voor toekomstige mensengeslachten.
2. Zon, maan en sterren
Er kwamen vonken vuur uit Muspelheem gevlogen, die Odin opving en tegen de hemel wierp, waar er sterren uit ontstonden. Odin schiep ook twee grote lichten, die dag en nacht zouden schijnen. En hij maakte twee wagens en zette daar de twee lichten op en voor iedere wagen spande hij twee paarden, vlug als de wind.
En er leefde een man, Mundilföri geheten, die twee zeer schone kinderen had, een jongen en een meisje. De jongen noemde hij Maan en het meisje Zon. Over zoveel hoogmoed ontstak Odin in toorn en hij voerde de kinderen van de reus naar de hemel en beval de jongen de paarden van de maan bij de teugel te leiden en het meisje moest de zonnewagen besturen.
De reuzen der duisternis schuwen het licht, daarom vatten zij grimmige haat op tegen zon en maan en wilden zij deze vernietigen. Zij namen de twee wolven Sköll en Hati, brachten die naar de hemel en joegen ze achter zon en maan aan. Vlug als de wind lopen de hemelpaarden, en toch gelukt het de wolven soms hen in te halen. Dan bevinden zon en maan zich in groot gevaar: woedend happen de wolven met de muil naar hen; de mensen zeggen dan: “Het is zons- of maansverduistering.” Tot dusver is het de lichten des hemels echter nog telkens gelukt, zich weer te bevrijden en aan hun achtervolgers te ontkomen; eerst bij het einde der wereld zullen zij door de wolven ingehaald en verslonden worden.
3. Dag en nacht
Een der reuzen had een dochter, die Nacht heette. Haar blik was somber en zij droeg een donkere mantel en een golvende zwarte sluier. Haar zoon heette Dag en bezat een stralende schoonheid. Wit en rood en vriendelijk was zijn gezicht en zijn haren schitterden als goud. Zijn kleed was blank als sneeuw en glansde als witte zijde.
En Odin gaf aan Nacht een zwarte wagen en een zwart paard, dat Hrimfaxi (Rijpmanen) heette, omdat zijn manen geheel met rijp bedekt waren. Aan haar zoon Dag echter gaf hij een prachtig wit paard, Skinfaxi, en een wagen die schit*terde als goud.
Als het nu avond wordt, rijdt Nacht omhoog naar de hemel en overschaduwd met haar zwarte mantel de aarde. Hrimfaxi schudt de rijp uit manen en staart, en het schuim uit zijn bek valt als dauw omlaag.
‘s Morgens vroeg ontwaakt Dag uit zijn sluimering. Dan stijgt hij in zijn wagen en neemt de teugels van Skinfaxi in de handen. In het Oosten gaat de gouden hemelpoort open en Dag rijdt omhoog, over zijn blauwe weg. Dan vluchten de schaduwen van Nacht, de lucht wordt helder en de stralende manen van het witte paard verlichten de aarde.
Alle schepselen begroeten de schonen Dag met vreugdegejuich, want de dag brengt licht en leven. In twaalf uren heeft Dag zijn lange weg afgelegd, dan duikt hij in het verre Westen onder in zee en zijn moeder Nacht begint haar rit.
4. De schepping van mensen en dwergen
Op zekere dag liepen de drie goddelijke broeders Odin, Hönir en Loki langs het strand van de zee. Daar stonden twee bomen, Es en Olm, en Odin sprak:
“Laat ons hier mensen uit scheppen naar ons beeld, opdat Midgaard, de schone vruchtbare aarde, door hen bewoond kan worden.”
En uit de bomen schiep hij een man en een vrouw; Hönir gaf aan de gestalten bewegelijkheid en verstand, en Loki verleende hun de zintuigen en het menselijk spraakver*mogen.
En zij noemden de man Ask (Es) en de vrouw Embla (Olm of Els) en brachten hen naar Midgaard. Daar sprak Odin tot hen:
“Hier zult gij wonen en de aarde bebouwen en de vruchten des velds eten.”
Zo leefden Ask en Embla van nu af in Midgaard en van hen stamt het gehele geslacht der mensen af.
In het binnenste der aarde echter ontstonden de dwergen. Deze waren klein en lelijk, doch bezaten menselijk ver*nuft en waren schrander. Sommige waren wit, andere zwart. Vier van hen zette Odin onder de vier hoeken des hemels, om de hemel te dragen, zij heetten: Noord, Zuid, Oost en West. De zwarte dwergen bouwden hun woningen in de spleten en in de gesteenten der aarde. Zij groeven schatten op: erts en ijzer, zilver en goud, richtten smederijen op en schiepen allerlei kostelijke dingen: rode ringen, gouden kettingen, goede zwaarden en speren en allerlei wondermooie sieraden. Zelden komen zij naar de oppervlakte der aarde. Alleen ‘s nachts durven zij naar boven te komen; want zodra de zon hen beschijnt, verliezen zij het leven en veranderen zij in steen. De witte dwergen staan niet in smederijen vol roet, om de hamer te zwaaien; hun gelaat is zo licht en schoon als de zon; daarom heten zij ook lichtalfen of elfen. Zij wanen in de zonnige ether en dansen in zomernachten bij heldere maan op de bloemenweiden van Midgaard, hun lieflijke reidansen.
5. Hoe de goden (Asen) heten en waar zij wonen
Dit zijn de namen der verheven Asen: Odin, Thor, Tyr, Balder, Forseti, Njörd (Agir), Freyr, HeimdalI, Bragi, Hödur, Wali, UlIer, Widar, Loki.
De voornaamste godinnen heten: Frigg, Sif, Freya, Gerda, Idun, Nanna, Sigyn.
In het midden van het heelal, hoog boven de aarde, bouw*den de Asen Asgaard. Hier wilden zij wonen en ieder bouwde hier zijn heerlijke woonstede. Het grootste en schoonste huis bouwde Odin, de vader van goden en mensen. Gladsheim heet zijn burcht. Helder straalt het dak, want het is met zil*veren schilden belegd. Van goud zijn de poorten en zuilen, de tafels en banken. Aan de wanden hangen schitterende pantsers en allerlei soort wapens. Er bevinden zich vele zalen in Gladsheim, de grootste is Walhalla met 540 deuren. Daar*naast bevindt zich een zaal met twaalf gouden stoelen; daar komen de Asen tezamen, wanneer zij willen beraadslagen. In Gladsheim treft men ook Odin’s hoge zetel Hlidskjalf aan. Wanneer Alvader op deze troon gaat zitten, dan overziet zijn oog alle werelden. Men kan Gladsheim gemakkelijk van de andere godenpaleizen onderscheiden: boven de gouden poort hangt een wolf, en daarboven zit een adelaar met uitgespreide vleugels, die klauwen en snavel dreigend naar voren steekt.
Het huis waarin de godinnen samenwonen heet Wingolf en doet in pracht nauwelijks voor Gladsheim met Walhalla onder.
Asgaard overtreft alle andere werelden in heerlijkheid. Als gewelf breidt zich boven Asgaard de kruin van de es Yggdrasil uit, en door het groene bladerdak van deze boom vallen eeuwig milde zonnestralen in het zalige tehuis der Asen. Met donderend geluid storten rivieren van hemelhoge ber*gen neer en geheimzinnig ruisend spoedt Saga's stroom zich door schemerige schaduwen voort. Glasir, het gouden bos, schittert en fonkelt in stralende pracht, en wanneer een der Asen door dit bos wandelt, zingen de gouden takken en weerklinkt een betoverende muziek. Daar bevindt zich het uitgestrekte, met gras begroeide Idaveld, waar de Asen in jeugdige onschuld met de gouden tafeltjes speelden, die eerst zullen worden teruggevonden, wanneer bij de ondergang der wereld alle schuld is uitgeboet en de nieuwe godenpaleizen zich tot de hemel zullen verheffen.
6. Bifröst, de hemelbrug
Toen de goden Asgaard gebouwd hadden, sloegen zij een brug van de aarde naar de hemel en noemden deze brug Bifröst; de mensenkinderen spreken echter van Regenboog. Over deze brug dalen de Asen naar de goden af, en de helden die in de strijd zijn gevallen, rijden over deze brug naar Walhalla. Bifröst heeft vele kleuren; het rood is laaiend vuur, waar niet iedereen overheen kan gaan. Boze reuzen zouden Asgaard bestormen, indien zij Bifröst konden bestijgen. Boven aan de brug staat de Hemelburcht, waar Heimdall in woont, de bewaker van Asgaard. Wanneer er gevaar dreigt, grijpt hij zijn hoorn en blaast erop, en in alle werelden wordt het geschal gehoord. Bifröst is zeer stevig gebouwd; wanneer echter bij het einde der dagen de vuurreus Surtur met zijn scharen erover heen zal rijden, dan zal de brug krakend in*een storten.
7. De wereldes Yggdrasil. De Nornen
Menige hoge eikenboom verheft zich op de bergen van Midgaard, geen is er echter zo hoog als Yggdrasil, de We*reldes. Zijn kruin welft zich boven Asgaard, de zetel der goden; de stam reikt van de aarde tot de hemel en de wortels zijn vast gegroeid diep in Midgaard, in het land der reuzen en in Nevelheem. Altijd groen is de kruin van deze heilige boom; de geit Heidrun voedt zich met zijn bladeren. En deze spijs moet wel zeer krachtig zijn; want de geit geeft zoveel mede, dat alle goden en de helden in het Walhalla volop te drinken hebben. Ook graast er een hert in de kruin, en van het gewei van dit dier vallen zoveel druppels in de bron Hwergelmir in Nevelheem, dat hier alle rivieren der wereld ontspringen. Op de top van de boom zit een adelaar en tussen diens ogen rust een havik. Langs de stam klimmen vier herten op en neer en knagen aan de verse loten; ook Ratatwiskr, een eekhoorntje, klautert langs de stam op en neer. Onder de wortel in Nevelheem, die naar Hel gaat, liggen Nidhögger, een afschuwelijke draak, en allerlei boosaardig ongedierte; deze monsters knagen aan de wortel, om de boom te vernielen. Nidhögger leeft in onenigheid met de adelaar die in de kruin zit; zij voegen elkaar heftige scheld*woorden toe, die het eekhoorntje Ratatwiskr (Twistbrenger) van de een naar de ander overbrengt.
De tweede wortel staat in het land der reuzen. Onder de*ze wortel bevindt zich een bron, die aan de reus Mimir toebehoort. Wie het water van deze bron drinkt, komt diepe geheimenissen uit de oertijd te weten. Zelfs Odin kwam op zekere dag naar Mimir en verlangde een dronk uit deze bron vol wijsheid. Mimir verschafte hem de dronk, maar Odin moest hem daarvoor een van zijn ogen in pand geven. Sindsdien is de Wereldvader éénogig.
De derde wortel staat in Midgaard, het land der mensen. Ook onder deze wortel bevindt zich een bron; op het spie*gelend water trekken witte zwanen hun kringen. Hier wonen de Nornen, drie goddelijke zusters, die geluk en ongeluk aan goden en mensenkinderen verlenen en de één een lang, de ander een kort leven schenken. De namen van de Nornen zijn Urd, Wernandi en Skuld. Urd kent alle geheimen van vroegere tijden; zij is de Norne van het verleden. Werdandi is de Norne van het heden, die de levende mensen hun lot toebedeelt. Het rijk van de toekomst behoort aan de derde Schikgodin; zij kent de dagen die nog komen zullen, uit haar hand ontvangen de mensen hun doodslot. Skuld is de Norne van de toekomst.
De es Yggdrasil heeft veel te lijden, want de draak Nidhögger en allerlei afschuwelijk ongedierte knagen aan zijn wortels; herten bijten de jonge loten van de boom af, en de geit Heidrun voedt zich met zijn bladeren; doch de verheven Nornen putten water uit Urda's Bron en besproeien daarmee de wereldboom, om te voorkomen dat hij zou verdorren en dat zijn bladeren zouden verwelken. Menigmaal rijden de Asen over Bifröst omlaag naar Midgaard en houden beraad*slaging bij de bron der Nornen, in de schaduw van de heilige boom. Wanneer echter bij het einde der tijden het geschal van Heimdall’s hoorn door alle werelden zal weerklinken, dan zal ook Yggdrasil met veel gedruis beginnen te wankelen en met een donderend gekraak in de vlammenzee van Surtur storten.
8. Walhalla. Walküren
De grootste zaal in het huis van Odin heet Walhalla. Deze zaal bezit 540 deuren en is vol pracht en heerlijkheid. Zuilen en poorten zijn van zuiver goud, en aan de wanden hangen allerlei soort wapenen. Daar zitten in lange rijen de Einherjar, eens roemrijke helden op aarde, en spreken over strijd en overwinning en lauweren. Odin’s wonderschone schildmeisjes, de Walküren, reiken hun de drinkhoorns, gevuld met schuimende mede. Ontelbaar zijn de scharen der mannen die in Walhalla zitten, en ieder van hen is een krijgsman die op het slagveld gesneuveld is. Wanneer de oorlog ontbrandt, zendt Odin de Walküren naar het slagveld. Op hinnikende paarden rijden zij door de lucht; schitterend licht gaat uit van haar helmen en pantsers en zonnestralen flitsen uit haar speren en schilden. Wanneer een dappere strijder gevallen is, galopperen zij op hem toe, tillen hem op het paard en rijden met hem over de Hemelbrug naar Walhalla.
Grote helden worden door Odin zelf aan de poort van het verblijf ontvangen en naar hun zetel geleid. Dan staan de Einherjar op en buigen eerbiedig voor de jongste erfgenaam van het Walhalla. De schildmeisjes snellen op hem toe, zetten hem geurend gebraad voor en reiken hem de mede in gouden hoornen. De Einherjar verheugen zich alle dagen in een zo voortreffelijke bediening. Iedere morgen wordt een groot everzwijn, Sährimnir, tijdens de jacht gedood en met zijn vlees verzadigen de helden zich; ‘s avonds echter loopt het dier weer levend en ongedeerd naar het woud terug. De mede wordt door de geit Heidrun gele*verd. Iedere morgen wordt er een zo groot vat mee gevuld, dat alle helden in Walhalla volop te drinken hebben. Ook Odin drinkt met hen mee, het vlees echter geeft hij aan de beide wolven Oeri en Theki die voor zijn voe*ten liggen; want de verheven Ase heeft geen behoefte aan spijs; hij leeft van wijn en mede.
Het leven van de Einherjar in Walhalla is schoon. In de vroege morgen kraait de haan
Goudenkam en wekt de slapende. Dan staan de helden van hun legersteden op, doen hun pantsers aan en zetten hun helmen op, omgorden zich met goede zwaarden en zadelen de Paarden die reeds trappelen van ongeduld. De stoet galoppeert de poorten van Walhalla uit en rijdt de strijdplaats op. Hier begint een vrolijk gevecht. Van verre hoort men paardengehinnik, luid geroep en wapengekletter. De helden bewe*gen zich wild door elkander; speren suizen door de lucht; er worden krachtige zwaardhouwen uitgedeeld; schilden botsen tegen elkaar en vonken springen uit helmen en harnassen. Menig goed paard wordt omver gelopen en roemrijke helden bijten in het zand. Nu komt Odin op zijn schimmel aangalopperen. De gouden helm bedekt zijn hoofd, zijn bovenlichaam wordt door een stralend harnas beschut. Met juichkreten wordt de verhevene Ase begroet, en alle helden neigen voor hem de speren. Odin heeft genoegen in het gevecht en eert de dapperste strijders met hartelijke woorden. Is het gevecht ten einde, dan rijden de helden vreedzaam met elkaar naar huis terug en niemand denkt verder aan de houwen die hij van de ander heeft gekregen. In Walhalla staat reeds het kostelijk maal klaar en de schildmeisjes openen de poorten terugkerende helden. Speren en schilden worden aan de wand gehangen; de dappere mannen gaan aan tafel zitten en grijpen dorstig naar de blinkende drinkhoorns, die lieftallige jonkvrouwen hun toereiken.
9. Hel
Drie rampzalige kinderen had Loki, de listige broer van Odin, die het met de ergste vijanden der goden, de kwaadaardige reuzen, hield. Het waren Hel, de Fenriswolf en de Midgaardslang. Hel is een vrouw, zo groot als een reus, voor de helft zwart, voor de helft op een mens gelijkend, die over de onderwereld, het rijk der doden, heerst. De weg die daarheen leidt is lang. Wie op een paard rijdt, dat zo vlug is als de wind, heeft negen dagen en negen nachten nodig om deze plaats te bereiken. Het rijk van Hel ligt onder Nevelheem en de weg erheen loopt door de donkere dalen van de Zwarte Dwergen. In de holen en spleten ziet men hun vuren branden en hoort men het lustige gehamer van de kleine werkers. Toch wonen er ook kwaadaardige reuzen langs de weg, die de reiziger schrik aanjagen en hem bedreigen; maar zij hebben toch op de goede mensen geen vat.
In het rijk van Hel is het eeuwig schemerdonker, nooit dringt er een zonnestraal in het land der doden binnen. Er zijn zalen, waar gouden tafels en banken in staan; daar zitten de goede mensen, drinken mede en denken in het licht der zon aan voorbije tijden.
Doch niet aan alle gestorvenen valt een zo aangenaam lot ten deel. Wie tijdens zijn leven veel kwaad heeft gedaan, die moet binnentreden in het land der duisternis, van de schrik en van de felle pijn, en daar kan hij niet uit ontvluchten. Reeds van verre hoort hij gekerm en geweeklaag en luid gehuil van smart. Er waden mensen door de slijkerige bedding van een snelvlietende rivier, die scherpe zwaarden voortstuwt. Ver*schrikkelijk is de aanblik van deze ongelukkigen. Zij worden door de golven omver geworpen en door de scherpe wapens vreselijk toegetakeld.
Aan de overzijde van de rivier staat een hal, waarvan het dak uit louter vergiftige slangen bestaat. De afschuwelijke on*dieren steken hun kop in de zaal, en spuwen vergift op de verdoemden, wier gehuil van pijn merg en been doordringt.
De ergste misdadigers komen op een plaats, waar Nidhögger en andere bloeddorstige draken verblijf houden. Daar hoort men een hartverscheurend geweeklaag. De draken vallen op de ongelukkige slachtoffers aan, verscheuren hun lichamen en zuigen hun bloed uit. Wie daar moet binnengaan, is wel zeer te beklagen.
10. De Fenriswolf
In het land der reuzen groeide Loki's grimmige zoon, de Fenriswolf, op. De Asen waren bevreesd, dat hij met de reuzen zou samenspannen om hen ten verderve te brengen, daarom haalden zij hem naar Asgaard. Weldra was hij zoo groot en sterk geworden, dat zelfs de machtige goden hem begonnen te vrezen; alleen de oorlogsgod, Tyr, was niet bang voor hem en reikte hem zijn voedsel.
De wolf werd steeds groter. Als hij zijn muil opensperde, raakte zijn bovenkaak de hemel en zijn onderkaak de aarde, en wanneer hij brulde, werden alle levende wezens door schrik en ontzetting bevangen.
Nu riep Odin de Asen samen om met hen te beraadslagen. Zij gingen de rechtszaal binnen en zetten zich op de gouden stoelen, “Ik heb u hier uitgenodigd”, zo begon de Wereld*vader, “om met u na te gaan, hoe wij Fenrir kunnen temmen.”
Hierop sprak Thor, de Sterke: “Ik zal naar hem toegaan en hem met mijn hamer doodslaan.”
“Zo moeten wij het niet doen,” antwoordde Odin, “want men mag niet kunnen zeggen: Zij hebben Asgaard met het bloed van Fenrir bezoedeld.”
“Laten wij hem dan uit Asgaard naar beneden werpen, dan worden zijn ledematen verbrijzeld en kan hij ons geen schade berokkenen,” sprak Tyr, vol overtuiging.
Verschillende aanwezigen vonden dat Tyr een goed voorstel had gedaan; Forseti echter, de Wijze en Rechtvaardige, bracht in het midden: “Ik geloof toch niet dat de val voor Fenrir veel gevolgen zou hebben, en dan zou hij vol gramschap naar de reuzen gaan en met hen boosaardige wraakplannen smeden.”
“Forseti heeft wijs gesproken,” viel Odin bij. “Ik geef deze raad: Laat ons de wolf met onbreekbare koorden boeien.”
Dit voorstel vonden alle Asen het beste, zij wisten al*leen niet of het zou gelukken, de wolf de koorden aan te binden.
“Wij moeten hem met sluwe woorden verschalken,” zei Odin. “Als wij tegen hem zeggen, dat hij nooit beroemd kan worden, wanneer hij niet eens een bewijs van zijn grote kracht levert, dan zal hij zich wel laten boeien; want hij is ijdel en zeer hovaardig van inborst. Sta nu op, Hermut, en haal de ketting, die Läding heet, uit Walhalla; breng ook Droma mee, die kluister is nog veel sterker; ik geloof toch wel dat hij noch Läding noch Droma verbreken kan.”
Hermut stond op, snelde naar Walhalla en haalde de boeien. Deze waren dik en sterk, Odin hield ze omhoog en riep uit: “Probeer het eens, Asen, om deze kettingen te breken! Wie Läding of Droma kan breken, die zal ik beslist een sterke man noemen!”
Toen namen de Asen de koorden, en spanden al hun kracht in om ze te breken; maar hoe zij ook hun best deden, het wilde niemand gelukken. Toen ook Thor vergeefs zijn kracht beproefd had, gaf hij den ketting uit handen en riep woedend uit: “Bij mijn hamer! er is grote kracht voor nodig om Läding en Droma te breken!”
“Laat ons dan maar niet langer wachten,” zei Odin en verhief zich van zijn zetel.
Toen de wolf de goden zag komen, vermoedde hij terstond dat zij iets tegen hem in het schild voerden. Hij sprong op en opende dreigend de muil. Odin echter sprak tot hem: “Denk niet, Fenrir, dat wij zijn gekomen, om je onaangenaamheden te berokkenen. Wij hebben het erover gehad, dat jij zo groot en geweldig sterk bent en dat je toch tot dusver nog geen roem of eer verworven hebt. Welnu luister! Je laat je vastbinden met deze boei, die je natuurlijk gemakkelijk kunt breken, opdat men je naam zal roemen en zal zeggen: “Fenrir is werkelijk zeer sterk, want hij heeft Läding gebroken.”
De wolf vertrouwde deze sluwe woorden slechts ten dele. Zonder iets te zeggen bekeek hij de ketting. Die was wel dik en sterk, maar hij meende toch, dat het voor hem een stuk kinderspeelgoed zou zijn. Hij stemde erin toe dat zij hem zou*den binden. Doch nauwelijks had hij de boeien gevoeld of hij strekte zijn poten uit, en Läding viel gebroken op de grond.
Dit voorval vervulde de Asen met verbazing en zij werden haast bleek van schrik. Odin evenwel herkreeg spoedig zijn zelfbeheersing en riep uit: “Heil, Fenrir! Je lichaamskracht is groot, je hebt Läding gebroken. Je zou echter nog grotere roem kunnen behalen, indien je ook Droma zou kunnen breken, want Droma is sterker dan Läding.”
De wolf bekeek de tweede boei en was toen van mening dat hij ook deze wel zou baas kunnen. Heimelijk verheugden de Asen zich daarover, want zij geloofden vast dat Fenrir nu verloren zou zijn. Droma werd stevig om zijn ledematen gebonden. Hij spande zijn spieren en voelde wel dat deze boei sterker was. Toen gebruikte hij al zijn kracht, en zie! Droma brak en viel van de wolf af. De Asen verloren de moed; Odin sprak echter, op een toon alsof hij zeer verheugd was: “Nu zal je roem in alle werelden weerklinken, Fenrir, want je hebt Läding en Droma gebroken.”
Daarop verlieten de goden de wolf. Deze verheugde zich over zijn kracht en dacht met niet geringe trots aan de over de roem, die hij zich verworven had.
“Zo schijnt onze list dus door de kracht van dat ondier verijdeld te zijn,” begon Odin zijn toespraak, toen de goden weer op hun zetels waren gaan zitten, teneinde verder te beraadslagen.
Nu nam Thor het woord en sprak: “Op mijn tochten naar Reuzenheem ben ik ook door het land der Zwarte Dwergen gekomen. De smeedkunst van dit volkje is overal beroemd. Daarom ben ik van mening dat die dwergen wel een nieuwe boei kunnen smeden, die door geen kracht gebroken kan worden.”
Deze woorden gaven de Asen nieuwe moed en Odin ant*woordde: “Het komt mij voor, dat mijn zoon Thor niet alleen in lichaamskracht de eerste is. Kom! laten wij eens gaan zien, of de dwergen hun vak verstaan.”
Nu werd Skirnir, de dienaar van Freyer, geroepen, en Odin sprak tot hem: “Skirnir, zadel mijn paard en rijd naar het land van de zwarte dwergen. En zeg dan tot de kleine kunstenaars: “Als gij de gunst van de hoge Asen niet wilt verliezen, smeedt dan een boei voor hen, die door geen enkele kracht gebroken kan worden.”
Terstond tuigde Skirnir Odin’s hengst Sleipnir op, sprong in het zadel en ging er als een stormwind in galop vandoor. Spoedig kwam hij bij de dwergen aan en deelde hun de boodschap van de Asen mede. Toen smeedden de bekwame kunstenaars een band uit zes dingen: uit de baard der vrouwen, uit het geluid van de kattentred, uit de stem der vis*sen, uit het speeksel der vogels, uit de zenuwen van de beren en uit de wortels van de bergen. Deze kluister was zo dun en zo zacht als een band van zijde en heette Gleipnir. Skirnir bracht de band bij de goden. Dezen waren een en al bewondering voor het vernuftige stuk werk, zij namen het meesterstuk en gingen ermee naar de wolf.
“Luister eens, Fenrir,” sprak Odin, “jouw kracht is bovenmate groot, want jij hebt Läding en Droma gebroken, laat je nu ook met deze band boeien, en breek ook dit stuk, dan zal jouw roem zijn weerga niet vinden.”
De wolf bekeek Gleipnir en zei: “Ik zal mij daar niet mee laten vastbinden." Want hij dacht bij zichzelf: zij hebben iets verkeerds met mij voor, en hij was erg bevreesd, dat er bij deze kluister toverij in het spel was.
“Je handelt verkeerd, Fenrir,” antwoordde Odin, “want nu zal men zeggen: Je moed is klein en groot is je lafheid.”
Toen de wolf deze woorden hoorde; begon hij van woede te brullen en afschuwelijk schuim kwam hem op zijn muil.
“Jullie willen mij ten verderve voeren!” schreeuwde hij, “daarom noemen jullie mij laf. Welnu! Laat één van jullie zijn arm in mijn muil leggen, dan zal ik mij laten boeien. Kan ik Gleipnir niet breken, dan bijt ik de arm af.”
Zo iets hadden de Asen niet verwacht. Zij stonden onthutst en wisten geen woord te zeggen.
“Nu kan men zien, wie met recht voor laf kan worden uitgemaakt,” hoonde de wolf.
“Houd die nutteloze woorden voor je, Fenrir,” antwoordde Tyr, “hier is het onderpand!” Terwijl hij dit zei, stak hij zijn arm in de muil van het ondier.
Toen werd de wolf geboeid en tevergeefs spande hij zich in, zijn grote kracht was niet toereikend om Gleipnir te breken. Toen de Asen dit zagen, lachten zij; één was er evenwel die niet lachte, en dat was Tyr; want hij schoot zijn arm er bij in.
De wolf huilde verschrikkelijk en hapte met zijn muil naar de goden om hen te verslinden; maar zij stieten hem een zwaard in de bek, waardoor hem de muil gesnoerd werd.
Daarna sleepte zij hem uit Asgaard weg en brachten hem naar een ver afgelegen diep dal. Daar vonden zij een geweldige rots, bonden daar het touw omheen en verankerden de rots diep in de aarde. Daar ligt de wolf nu tot aan de ondergang der wereld.
11. Jörmungandr, de midgaardslang
Groot is de zee, want zij omgordt de aarde als een ring. Even groot is ook de Midgaardslang, de zuster van Fenrir, want haar lichaam reikt van het ene einde der zee naar het andere. Zij is afschuwelijk om te zien; zelfs reuzen, die toch niet teergevoelig zijn, verbleken bij haar aanblik. Haar kracht is onmetelijk groot, zij doet in sterkte maat weinig voor de wolf onder. Als zij zich opheft en uitstrekt, dan ontstaan er in zee hoge golven, en de schepen komen in groot gevaar. Wordt echter haar toorn geprikkeld, dan geselt zij het water met haar staart. De zee begint woedend te brullen, huizenhoge golven slaan schuimend tegen de wal, die goedgunstige Asen aan het strand gebouwd hebben; Midgaard wordt over*stroomd, en mensen en dieren vinden de dood in de watervloed. Eens, bij het einde der wereld, zal het dier vrese*lijk te keer gaan; in een laatste grote strijd echter zal Thor met de verpletterende slagen van zijn hamer een einde aan het leven van het dier maken.
12. Odin (Wodan) en Frigg (Fricka)
Odin is de voornaamste en hoogste van alle Asen; hij is de vader van goden en mensen.
Als hij met de helden uit Walhalla ten strijde trekt, heeft hij een gouden helm op het hoofd, zijn borst wordt door een blinkend harnas beschut, aan zijn zijde hangt zijn kostbaar zwaard en in zijn hand heeft hij Gungnir, de werpspies die op verre afstand treft. Doch hij komt niet altijd in een zo schitterende uitrusting voor de dag. Als eenvoudige voetgan*ger heeft hij een blauwe mantel aan en een hoed met brede rand op het hoofd. Zijn golvende baard reikt tot midden op zijn borst. De hoge Ase heeft slechts één oog; dit is echter groot en stralend als de zon. Het andere oog heeft hij aan de reus Mimir als pand moeten geven, toen deze hem toe*stond uit de bron der wijsheid te drinken. Niet zelden ver*schijnt Odin zelfs als klein, gebogen mannetje met grijzen baard en kaal hoofd. Ook neemt hij wel eens, wanneer hem dat goeddunkt, de gestalte van een vogel of van een slang aan.
Wanneer hij met de helden in Walhalla aan tafel zit, liggen de wolven Geri en Treki aan zijn voeten. Hugin en Munin, twee raven, zo zwart als de nacht, zitten op zijn schouders. Iedere morgen verlaten zij hun plaats en vliegen zij de wijde wereld in. ‘s Middags keren zij weer terug en fluisteren de Wereldvader alles in de oren, wat zij op hun verre vlucht gehoord en gezien hebben.
Zijn paard heet Sleipnir. Het is grijs van kleur, heeft acht voeten en loopt vlug als de wind. Door de lucht, over het water en over het land rijdt hij zijn meester met dezelfde grote snelheid. Men kan dan ook wel zeggen, dat Sleipnir het beste en edelste van alle paarden is.
Odin is de god van de oorlog en de bestierder der veld*slagen. Het gekletter der zwaarden en het gekraak der schil*den is muziek voor zijn oor. Waar krijgslieden scherpe zwaard*houwen wisselen, daar vertoeft hij gaarne en grote helden zijn zijn meest geliefde gezellen. Hun deelt hij geluk toe in de strijd en aan hen geeft hij zijn spies Gungnir, die nooit zijn doel mist, ter leen.
Toch is Odin ook de god van de dichtkunst en van de ver*heven wijsheid, die hij in runen heeft neergeschreven, tot lering en opvoeding van Asen en mensenkinderen.
Zijn gemalin heet Frigg. Zij is zeer schoon en is het ver*heven voorbeeld voor alle zorgzame huisvrouwen. Met Odin deelt zij de troon Hlidskjalf, vanwaar zij alle werelden kun*nen overzien. Haar schoonste en meest geliefde zoon is Balder, de Ase van het licht. Om zijnentwille heeft Frigga veel hart*zeer geleden.
Odin’s dag was de Woensdag. Zowel in ons Woensdag als in het Engelse Wednesday vindt men de naam Wodan nog duidelijk terug.
13. Thor (Donar) en Sif (Sippia)
De geweldigste zoon van Odin is Thor, de machtige god van de donder; zijn moeder is Jörda, de aarde.
Hij is groot van gestalte; zijn borst en schouders zijn breed, en in zijn armen heeft hij ontzaglijke kracht; zelfs reuzen kunnen zich in sterkte niet met hem meten.
Rood is zijn hoofdhaar en vuurrood zijn kroesbaard; en wanneer hij toornig is, blaast hij zo hard door zijn baard, dat het als stormgedruis door het luchtruim klinkt.
In moed is er nauwelijks iemand met hem te vergelijken; dat heeft hij vaak in het openbaar getoond, wanneer het erop aan kwam, met schrikwekkende reuzen te vechten.
Weliswaar beschikt hij ook over voortreffelijke wapenen voor zulke gevechten. Zijn hamer Mjölnir, die kunstzinnige dwergen gesmeed hebben, is bij Asen en mensenkinderen beroemd en bij de reuzen gevreesd; want Mjölnir treft altijd doel en keert na iedere worp terstond weer in de hand van de machtige dondergod terug. In deze hamer is grote toverkracht verborgen, want met hem is Thor in staat doden ten leven op te wekken. Wanneer hij de hamer in de harde strijd gebruiken wil, dan trekt hij dikke ijzeren handschoenen aan, anders kan hij de hete steel niet aanpakken. Is er werkelijk van een zwaar gevecht sprake, dan omspant de machtige dondergod zijn lichaam met een krachtgordel, die hem dubbele sterkte verleent. Wie zou in staat zijn tegen Asathor, nadat deze zich zo heeft uitgerust, zegevierend te strijden! Goden noch mensen bezitten een zo grote kracht als hij, en voor de slagen van zijn hamer sidderen de reuzen; want reeds menigeen uit hun midden heeft hij het hoofd verpletterd.
Dikwijls daalt Thor te voet over Bifröst naar Midgaard af of naar Reuzenheem; niet zelden ook rijdt hij in een wagen die de kleur heeft van onweerswolken. Daar heeft hij geen hinnikende paarden voor gespannen, doch twee snelvoetige bokken: Tandenknarser en Tandenkraker. Als hij, van As*gaard komend, over de Hemelbrug rijdt, dan rolt de donder over Midgaard en bliksemstralen flitsen door de lucht: dat komt door het rollen van de wagenwielen, het tandengeknars van de bokken en door de vlammen die uit de hamer schieten.
De gemalin van Thor heet Sif. Zij is schoon en haar haar is van louter goud. Dat had de sluwe Loki van kunstzinnige dwergen gekregen voor Sif, bij wie hij uit boosaardigheid alle haar had afgesneden, waarna Thor hem wegens deze euvel*daad met ernstige hamerslagen had bedreigd.
De zonen van Thor heten Modi en Magni (Moed en Macht). Van hen wordt gezegd, dat zij in kracht maar weinig voor hun vader behoeven onder te doen. Zijn trouwe dienaar is de behendige Thjalfi. Deze vergezelt zijn meester op al diens tochten en is zo vlug als een bliksem.
De mensenkinderen hebben er alle reden voor, de machtige dondergod te prijzen. Hij beschermt hen tegen de woede van de Midgaardslang, want anders zou de zee de beschermende wal reeds lang, doorbroken hebben; hij strijdt voor hen tegen de grimmige berg- en ijsreuzen, want deze monsters haten de mensen en willen de vruchtbare aarde in een woestijn veranderen; hij slaat de onweerswolken stuk, waardoor deze over de dorstige velden verkwikkende regen*buien uitstorten; hij laat de zaden ontkiemen en de veldvruch*ten rijpen, opdat de mensen hun schuren kunnen vullen en niet van honger omkomen. Aan hem ontleent de Donderdag zijn naam en in het sterrenbeeld “Grote Wagen” of “Gro*te Beer” zagen onze voorouders het voertuig van de Don*dergod. Ook zijn hamer is nog niet vergeten: als er ergens in Duitse landen een groot bouwwerk zal worden uitgevoerd, dan wordt de eerste steen met drie hamerslagen gewijd: met Thor’s hamer, het zinnebeeld van goddelijke bescherming.
14. Tyr (Ziu)
Tyr is een zoon van Odin en, evenals zijn vader, oorlogsgod. Hij is groot en zeer sterk, en slechts zijn broer Thor kan zich, wat kracht en moed betreft, met hem vergelijken. Dat heeft hij bewezen, toen het er op aan kwam, de verschrikkelijke Fenrir te voederen; ook was hij de enige die er niet voor terugdeinsde, om zijn arm in de muil van de wolf te leggen. Sinds die dag heeft hij weliswaar slechts één arm, doch dit heeft hem waarlijk geen schande gebracht! En zou iemand het wagen, daarmee de spot te drijven, dan zou Tyr niet in gebreke blijven, om de ellendeling tegen de grond te slaan. Want deze sterke Ase bezint zich niet lang, alvorens het zwaard te trekken, indien er ergens strijd oplaait!
Oorlog is zijn grootste genoegen en alleen een held ver*schaft hem vreugde. Wie laf is in het gevecht, die kan voor zijn gramschap sidderen. Voor mensenogen onzichtbaar komt de god naderbij: zijn bliksemende kling sist door de lucht, en iedere slag maakt een dode man. Waar hij daarentegen opgewekte moed en grote dapperheid waarneemt, daar nadert hij met zijn hulp; daar neemt hij zelf in het voorste gelid aan de strijd deel en voor de vijand bestaat er dan geen ontkomen meer.
Krijgslieden, die zijn sterkte kennen, verzuimen nimmer, om vóór het begin van de strijd de machtigen Ase om hulp aan te roepen.
“Verheven Tyr, groot in kracht en heldenmoed, wees ons in de strijd nabij, opdat wij niet wankelen noch wijken! Jaag de vijand schrik aan en schenk ons de overwinning, dan zullen wij u in liederen prijzen en eren met heldenbloed! Asatyr, voortaan zullen uw altaren roken en uw vuren in het gehele land oplaaien!”
Zo roepen de strijders Tyr aan, en de sterke Ase verheugt zich over het eerbetoon en verleent hun zege en roem.
Zijn dag is de Dinsdag (Ziusdag), die te zijner ere deze naam draagt.
Odin, Thor en Tyr werden bij vele Germaanse volksstam*men als de hoogste drie goden beschouwd.
15. Balder en Nanna
Vele verheven en heerlijke gestalten wandelen in Asgaard en over de aarde der mensen, doch wie zou zich wat schoonheid betreft met Balder kunnen vergelijken! Het licht van zijn ogen is zó liefelijk, dat de kamillebloem, dat lichte, aan de aarde ontsproten zonnefiguurtje, de naam “Balderswenkbrauw” gekregen heeft. Verhevenheid en goddelijke gratie stralen op zijn voorhoofd, en de weerspiegeling van zijn gedachten werpt een gouden schijn van rozig licht over zijn wangen.
Balder is de god van het licht, van de lieftallige zomerdagen, van vroomheid, reinheid, zachtheid en goedheid. In het eeuwige zonnelicht staat zijn huis Breidablik (Breedzicht); overal in het rond heerst hemelse vrede, en nooit hoort men hier ruwe scheldwoorden of zwaardhouwen of verontrus*tend wapengekletter. Hier regeert Balder, de goede Ase, met zijn gemalin Nanna. Goden en mensenkinderen hebben hem lief en naar de woorden die uit zijn mond komen luisteren de verheven Asen met welgevallen; want zijn lippen verkondi*gen zinrijke wijsheid, en zijn tong spreekt immer woorden die tot vrede strekken. Men behoeft zich dan ook niet te verwonderen, wanneer men hoort vertellen, dat nog nooit iemand Balder heeft uitgescholden.
De machten der duisternis rusten echter nooit. Zij zinnen erop en streven ernaar, goden en mensenkinderen schade te berokkenen. Ook Balder zou van hun arglist niet ver*schoond blijven, en hij, de door allen geliefde en schuldeloze, moest op jeugdige leeftijd in het duistere rijk van Hel bin*nengaan.
16. Forseti (voorzitter)
Forseti is een zoon van Balder. Hij is rechter in het rijk der Asen. Zijn huis heet Glitnir (Glinstering). Het zilveren dak rust op gouden zuilen; ruim is de zaal en alles wat er in is, is even prachtig. Asen en Asinnen gaan er in en uit; want voor de rechterstoel van Forseti komen allen tezamen, die een twist te beslechten hebben. En niemand keert met slechte raad huiswaarts, ieder krijgt zijn recht, en met verstandige woor*den en rustige redenering weet deze Ase de strijdende partijen te verzoenen.
Het eiland Helgoland heette vroeger Forsite’s Land, dat wil zeggen Land van Forseti. Daar borrelde de heilige bron van deze god, waar men slechts zwijgend water uit dorst schep*pen. Het wild dat naar deze bron vluchtte of aan de rand ervan graasde, was veilig voor de speer en de dodelijke pijlen van de jager, want geen kind der aarde zou op deze heilige plaats bloed willen vergieten. Zelfs brutale zeerovers deins*den ervoor terug het eiland van de rechtvaardige Ase, belust op buit te betreden; want o wee, als zij de toorn van de god hadden opgewekt! Hun schip zou nooit langs gevaar*lijke klippen gekomen zijn, want Forseti zou het te pletter doen slaan, en het brutale roversgebroed in de bodemloze diepte slingeren.
17. Ägir (Ögir) en Ran, Njördr (Nord) en Skadi
Heerser over de zee is van oudsher de reus Ägir. Hij woont niet in de mooie godenstad Asgaard, maar op een eiland in zee. Hij behoort niet tot de twaalf goden van Asgaard, toch wordt hij door de Asen bijna als huns gelijke beschouwd. Hij is zeer rijk; alle schatten die de zee bergt, beschouwt hij als zijn eigendom. Zijn paleis straalt van goud en edelgesteente; en ook als het buiten donkere nacht is, is het binnen steeds licht en vriendelijk, zo helder straalt het goud van muren, zuilen en zoldering.
Ägir is vaak zacht gestemd en vrolijk als de blauwe zee op een windstille zomerdag. De Asen komen graag bij hem te gast en worden dan altijd rijkelijk en goed ontvangen. Het liefst zit hij samen met Bragi, de god van de dichtkunst. Dan speelt Bragi op de harp en zingt daar oeroude liederen bij. Ägir luistert dan aandachtig en zijn gezicht straalt zo zacht en vriendelijk als de zeespiegel op zomerse dagen.
De gemalin van Ägir heet Ran. Haar gemoed gelijkt op een stormachtige zee; zij zint voortdurend op onheil en is pas gelukkig, wanneer zij met haar dochters op schuimende golvenpaarden kan voortjagen en de schippers in angst en schrik, in dood en verderf kan storten. Daarom is de schipper bevreesd voor Ran en haar dochters, en hij maakt zich niet gereed om uit te varen, zonder Ägir te vragen, hem voor de boosaardigheid van zijn vrouw en haar dochters te behoeden.
Een andere goddelijke heerser over de zee is Njördr of Nord. Hij stamt van de Wanen, een godengeslacht van het zeestrand, af. Na een oorlog van de Wanen tegen de Asen werd hij als onderpand des vredes tegen de Ase Hönir, de broer van Odin, uitgewisseld; zo kwam hij met zijn twee kinderen Freyr en Freya in Asgaard en bouwde aan de grens van het water zijn huis Noatun, dat hij prachtig heeft ingericht, want hij is zeer rijk. Zijn gemalin Nerthus bleef echter bij de Wanen en stond daar hoog in aanzien.
Als vissers ter visvangst uitvaren, trachten zij eerst de welgezindheid en de gunst van de machtigen Nord te win*nen; want hem behoren de vissen toe en hij schenkt ze aan wie hij wil.
De tweede gemalin van Njördr heet Skadi; zij is de dochter van de reus Thjassi. Haar vader was door de Asen gedood; toen had zij een wapenrusting aangedaan en was zij naar Asgaard getrokken om van de goden genoegdoening voor haar vader te eisen. De goden hadden haar toen aan de maaltijd genodigd en beloofden haar schadeloosstelling voor de gedode vader; ook moest zij één van hen tot gemaal kiezen, zonder meer van hem te zien aan zijn voeten.
Skadi bekeek de voeten van de goden en toen zij de mooiste had uitgezocht, riep zij uit: “Deze Ase kies ik uit; hij is de schoonste en zonder enig gebrek, het kan geen ander zijn dan Balder!”
Het was echter niet Balder maar Nord, en Skadi werd zijn vrouw en woonde met hem in Noatun. Maar hoe prachtig dit paleis ook was ingericht, Skadi wilde toch liever op de wilde rotsen in Reuzenheem wonen, waar de burcht van haar vader stond. Dat kon Nord maar niet begrijpen, want hij woonde graag in Noatun, waar de meeuwen in het rond vlogen. En zij kwamen overeen, dat zij negen dagen en nachten in Noatun en dan weer even lang in Reuzenheem zouden wonen.
Het beviel de verheven Ase echter maar slecht in Reuzen*heem, en hij klaagde: “De bergen vind ik onaangenaam en het gehuil der wolven klinkt mij afschuwelijk in de oren; in Noatun zingen witte zwanen liefelijke liederen.”
Skadi echter voerde daarentegen aan: “Hoe schoon zijn de bergen, met hun schitterend ijs, rondom de burcht van mijn vader! In Noatun schreeuwen de zeevogels; daar fladdert de meeuw langs het venster en schrikt mij met zijn schorren kreet op uit mijn slaap. Daarom woon ik niet graag in Noatun.”
En Skadi maakte zich reisvaardig, trok weer naar Reuzen*heem en ging weer in de burcht van haar vader wonen. Daar leeft zij blij en gelukkig. Op sneeuwschoenen en met pijl en boog jaagt ze, vlug als de wind, op de vraatzuchtige wolf, de ruige ijsbeer, de wilde gans en het fladderende sneeuw*hoen.
18. Freyr (Frô), Gerda, Freya (Frouwa), Ostara
Elfheem heet de woning van de schone, trotse Ase Freyr. Met zijn gemalin Gerda drinkt hij daar kruidige mede.
Freyr is een lichte goedhartige Ase. Hij is de mensenkinderen goedgunstig gezind, en kan het zelden van zich verkrijgen een verzoek hunnerzijds af te wijzen. Hij heerst over regen en zonneschijn en laat het zaad in de akker ontkiemen en groeien. Het is nuttig, wanneer de landman hem in tijden van droogte om verkwikkende regen aanroept.
De dienaar van Freyr is de verstandige en trouwe Skirnir (Optuiger); die heeft ook zijn gemalin Gerda voor hem ver*worven. Tijdens de reis die hij hiertoe ondernam, heeft hij grote roem behaald.
Als Freyr wil gaan rijden, spant Skirnir voor de wagen de vlugge en zeer sterke ever, die Gullinbursti (Goudborst) heet, omdat zijn borsten van zuiver goud zijn en licht uitstralen als vlammen. Ook al rijdt Freyr door donkere wouden of door diep nachtelijke duisternis, op zijn wagen is het altijd zo licht als bij dag. Want de borsten van zijn ever stralen als duizend kaarsen.
Freyr bezit ook een voortreffelijk schip. Dit heet Skidbladnir (Sneeuwschoenblad), en is door vaardige dwergen zeer kunstig samengesteld. Het heeft altijd, zodra zijn zeilen gehesen worden, gunstige wind, waarheen men ook varen wil. Het is zo groot, dat alle Asen met hun wapenen en al hun leger*benodigdheden er in plaats kunnen nemen, en toch kan men het als een doek in elkaar vouwen en het gemakkelijk in de zak dragen. Zo ongelooflijk vernuftig is Skidbladnir; het wol*kenschip van Freyr, vervaardigd.
Freyr’s zuster Freya is de koningin der Walküren en naast Frigga de schoonste en voornaamste godin. De helft van alle helden die in de strijd sneuvelden behoort haar toe. Deze rijden naar Volkwang, haar heerlijk verblijf, waar de lieftallige godin hun eigenhandig de mede inschenkt. Als Freya zich ijlings naar het slagveld wil begeven, trekt zij haar veder*hemd aan en vliegt als een valk over land en zee.
Eens heeft zij een echtgenoot gehad die Odur heette. Die heeft haar trouweloos verlaten en haar daardoor veel leed berokkend. In alle landen heeft zij vergeefs naar hem gezocht en om zijnentwille hete tranen gestort; al haar tranen werden echter kostbare goudkorrels, en wie haar pad betrad en de druppels aanschouwde, die kon zich gelukkig prijzen.
Haar dochter heet Nossa en is onvergelijkelijk schoon. Als een meisje bijzonder schoon en bekoorlijk is, zegt men wel: “Zij is zo schoon als Nossa, de dochter van Freya.”
Freya bezit een halsketen, samengesteld uit de kostbaarste parelen en edelstenen, die het binnenste van aarde en zee ooit bevat heeft. Dit sieraad gelijkt op een hemel vol prachtig fonkelende sterren.
In plaats van paarden laat zij twee katten voor haar wagen spannen, wanneer zij uit rijden gaat. Heilig zijn deze dieren en wie hun goed te eten geeft en ze verzorgt, die verwerft zeker de gunst van de verheven godin.
Freya is de godin van de liefde, van de verlovingstijd en van het huwelijk. Bruiloften vierde men gewoonlijk op haar dag, de Vrijdag. Had de bruid goed voor de katten gezorgd, dan verleende Freya haar zonnig weer op haar huwelijksdag en geluk i haar huwelijk. Zij werd ook Frouwa genoemd, uit welk woord de schone erenaam “vrouw” is voortge*komen.
Ostara is nauw aan haar verwant; zij is de liefelijke godin, die de lente brengt. De naam Osterfeste, zoals het paasfeest in Duitsland heet, is aan deze godin ontleend.
19. Heimdall
Heimdall, een zoon van Odin, bewoont de prachtige Hemelburcht aan het boveneinde van de Asenbrug. Zijn taak is het, Asgaard te beschermen en Bifröst te bewaken, opdat geen monsterachtige reus de Hemelburcht zou betreden.
Zijn gezicht is uiterst scherp; hij kan de lange weg van de hemel naar de aarde overzien. Zijn oren zijn niet minder goed. Hij hoort het gras op het land en de wol op de schapen groeien, en zelden blijft een geluid in het heelal voor hem verborgen. Hij heeft even weinig slaap nodig als een vogel en wordt van het kleinste gerucht wakker.
Zijn tanden zijn van zuiver goud: “De morgenstond heeft goud in de mond”. Ook de manen van zijn hengst zijn van goud. Zijn zwaard is wijd en zijd beroemd, evenals de bazuin, de GjalIarhoorn, die hij aan zijn zijde draagt. Wanneer de reuzen eens, in brutale overmoed, Asgaard zouden willen bestormen, zou Heimdall op de bazuin blazen en de Asen ten strijde oproepen, en dan zou de woeste kerels hun voornemen duur te staan komen.
Eens, wanneer de Fenriswolf en de Midgaardslang vrij zullen komen, wanneer alle monsterdieren door Loki tot de laat*ste strijd worden aangevoerd, dan zal Heimdall zo geweldig op zijn hoorn blazen, dat het geluid door alle werelden weer*klinken zal. Dan zullen de reuzen, ondanks de hardheid van hun gemoed, verbleken, en dwergen en mensenkinderen zullen sidderen en zuchten van vrees; de Asen en de helden van Walhalla zullen zich echter uitrusten voor de laatste grote strijd, die hemel en aarde zal vernietigen.
Heimdall is een vriend van de mensen. Hij wandelt graag door Midgaard, brengt wegen en paden in orde, geeft de men*sen goede raad en brengt zegen in het huis, dat hij bin*nengaat.
Hij heeft de maatschappelijke standen: knechten, boeren en edelen, geschapen. Zijn wijsheid wordt hogelijk geroemd. Rigr, Iring en Irmin noemen de mensen deze goddelijke wandelaar.
20. Bragi en Idun
Bragi is schoon; zijn gezicht straalt van diepzinnige ge*dachten. Uit zijn ogen sprankelt het heilige vuur der geestdrift. Verhevenheid staat op zijn voorhoofd te lezen, en ieder woord uit zijn mond is een goudkorrel van diepe wijs*heid. Welluidende liederen vloeien van zijn lippen, en zijn spreken klinkt liefelijker dan de stem van het woud en het ruisen van de wateren, die van de bergen omlaag stromen. Zijn baard golft over zijn borst, en geen Ase heeft zulk een trots mannelijk sieraad als Bragi, de langbaardige Ase.
Hij is de god van het zingen, van de dichtkunst en van de welsprekendheid. Van hem hebben dichters en schrijvers hun gave ontvangen en aan hem dankt de redenaar zijn vlugge tong. Behalve zijn vader Odin kan geen der verheven Asen noch een van de mannen der aarde zich in diepte van inzicht en wijsheid van gedachten met Bragi meten en evenmin mag een dichter of schrijver zich erop beroemen, dat zijn kunst aan die van deze god gelijkwaardig is. Hij kent vele sagen en geschiedenissen uit de grijze oudheid, die lang vergeten waren en waarvan men niets meer te weten kon komen; en ofschoon hij het zwaard niet hanteert en geen vriend is van bloedige gevechten, geniet hij toch veel eer in de kring der Asen, alleen boze tongen willen zijn roem aantasten.
De gemalin van Bragi is Idun. De Asen hebben aan haar hoede een kostbare schat toevertrouwd: elf gouden appelen die een wonderbare toverkracht bezitten. Als de goden voelen dat zij oud worden en hun krachten afnemen, eten ze van de appelen en worden zij weer bloeiend, jong en sterk.
Zeer zorgvuldig bewaart Idun de schat in een mandje. Toch werd hij haar eens, op aanstoken van Loki, door de reus Thjassi ontroofd. Toen dreigde de wereld een zeer grote ramp. De Asen kregen grijs haar, verzwakten en konden geen weerstand meer bieden aan de slaap. Zelfs Heimdall, die zo weinig slaap nodig heeft, sloot de ogen en liet het hoofd vermoeid op de borst zakken. Indien het niet spoedig gelukt was, de gouden appelen terug te krijgen, zouden de duistere machten Asgaard bestormd hebben en dan zou de wereld*ordening vrijwel te schande zijn geworden.
De wonderdadige appelen van Iduna zijn de vruchten van den Wereldes; zij zijn zinnebeelden van de hoogste poëzie, die ook in Bragi's liederen weerklinkt en goden en mensen verkwikt en verjongt. Wanneer eens de poëzie verstomt, dan verwilderen goden en mensen, dan worden zij grijs en zwak, en de wereld is rijp voor de ondergang. Eens zal deze dag komen....
21. Hödur en Wali
Odin’s zoon Hödur is blind. Hij is de god van de winter en heerst over vorst en sneeuwstorm. Als zijn heerschappij begint, is het met al het schone op aarde gedaan: gras en bloemen verwelken, de bladeren vallen van de bomen en de vrolijke stemmen van de vogels verstommen. Zijn metgezel is Hräswelg, een reus in de gedaante van een adelaar. Deze zit hoog in het Noorden, op het voorhoofd van de aarde, en op een wenk van Hödur vliegt hij op en slaat met zijn vleugels. Dan zucht en kreunt het in het luchtruim, ijzige noorderstormen gieren, zwartgrauwe wolken jagen over Midgaard heen, en in dikke vlokken dwarrelt de sneeuw op de aarde neer. Alle wateren verstarren tot ijs, en in het wijde wereldruim wordt het zo stil als in het dodenrijk. Goden en menschen zijn van de heerschappij van Hödur afkerig. De blinde Ase heeft dan ook maar weinig vrienden. Allen hebben echter een afschuw van hem gekregen sinds door zijn hand Balder gevallen is. Hij droeg weliswaar niet de schuld van de dood van de goede god, want hij wist niet wat hij deed; het vergoten bloed riep echter om wraak, en Hödur moest gedood worden. Wali, de jonge lentegod, wierp de duistere winterheerser omlaag in het rijk van Hel. En Wali gunde zich geen tijd, voor hij het werk der wraak had volbracht. Hij kamde zijn haar niet noch wies hij handen en hoofd, alvorens het kostbaar bloed van Balder vergolden was; zede en plicht eisten zulks.
Eens echter, wanneer na deze wereld vol schuld en gebre*ken boven in de hoogte des hemels een nieuwe godenstad zal verrijzen, zullen Balder en Hödur gearmd door het groene Idaveld wandelen, en dan zullen alle haat en nijd voor eeuwig voorbij zijn.
22. Uller
In dierenhuiden gehuld, met pijl en boog gewapend, rijdt UlIer, een zoon van Odin en in de winter diens plaatsbekleder in de wereldheerschappij, op grote schaatsen over de blinkende ijs- en sneeuwvlakten, vlug als de wind, over de noordse zee. Door berg en dal volgt hij het spoor van het vluchtende wild. Hoog uit de lucht valt de zee*arend of het sneeuwhoen, door zijn pijlen getroffen, dood ter aar*de neer. Het bliksemsnelle hert, de ruige beer, de eland, het rendier en de grauwe wolf; geen van hen kan hem ontvluchten. Alles wat kruipt of vliegt is van hem, en hij verleent jachtgeluk aan wie hij wil.
Hem roepen de jagers aan, wanneer zij zich gereed, maken voor een vrolijke jachtpartij:
“UlIer, trefzekere god, laat ons e vluchtende wild niet missen! Scherp ons oog, richt onze hand en geef vleugels aan onze vlugge voeten! Als de pijl snorrend van de boogpees schiet, laat hij dan het hart van het vluchtende pelsdier, of van de oeros of van het everzwijn in het woud doorboren. Verhoor de aanroeping van uw beschermelingen en geef hun overvloedig geluk op de jacht!”
Zo roepen de jagers hun heer en meester aan. En wie hij vriendelijk gezind is, die leidt hij naar wildrijke streken en, met buit beladen, keert deze jager ‘s avonds naar huis te*rug, En bij de beker met fonkelende mede verkondigt hij de roem van de Ase en vermaant hij de jongens, die adem*loos toeluisteren, om de naam van de goddelijke schutter altijd met eerbied te noemen.
Slecht evenwel vergaat het de jager, die de verheven Ase niet eerbiedigt. Hij raakt verdwaald in een bosravijn, waar ondieren huizen; een dwaallicht lokt hem naar het moeras; op een vlakke ijsbaan struikelt hij en, als om hem te bespotten, rent de woudstier brullend aan hem voorbij. Hij mag zich waarlijk gelukkig prijzen, wanneer hij met hele ledematen, zij het dan zonder buit, naar de huiselijke haard terugkeert.
UIIer draagt ook een voortreffelijk schild op zijn jachttochten bij zich, en de Ase weet dit schild zo vaardig te hanteren, dat menigmaal een wilde os in machteloze woede zijn sterke horens ertegen versplinterd.
Skadi, de schone godenbruid, is dikwijls zijn gezellin. Juichend jagen zij samen over de schitterende ijsvlakten van het hoge Noorden voort en lachen de verwekelijkte schepsels uit die bang zijn voor de grimmige kou van de winter.
Iependal heet het verblijf van UlIer in Asgaard. Daar rust de Ase uit, wanneer hij moe is geworden van het jagen en schaatsenrijden. Rondom zijn huis groeien iepen, de taaiste bomen van het woud. Uit het hout van deze bomen vervaardigt Uller zijn boog en snijdt hij zijn pijlen die nooit missen.
23. Widar
Widar is een zoon van Odin. Hij is zeer groot en sterk, en slechts zijn broer Thor overtreft hem in lichaamskracht. Go*den en mensenkinderen noemen hem den zwijgzame Ase; want zijn mond is niet geneigd tot onbetekenend gebazel. In Landwidi, een stil dal in het woud, heeft hij zijn huis gebouwd. Hoog gras groeit voor de poorten, en geheimzinnig fluisteren de bladeren van de heen en weer wiegende boomkruinen rondom het ruime verblijf.
Eenzaam heerst Widar in zijn bosgebied, en slechts zelden zoekt hij het gezelschap van de andere Asen. En toch zien de goden met groten eerbied tegen hem op, want op hem alleen is hun laatste hoop gevestigd. Hij zal uit de gro*te wereldstrijd ongedeerd te voorschijn komen, hoewel hij in deze strijd de grootste heldendaad verricht en de Fenriswolf doodt, die zijn vader Odin verslonden heeft. Voor deze geweldige daad zal Widar geen zwaard nodig hebben; aan één voet draagt hij een ontzaglijk grote schoen; schran*dere dwergen hebben deze schoen vervaardigd uit alle repen leer, die mensenkinderen van hun schoenen snijden en achteloos wegwerpen.
Met deze grote schoen zal Widar in de muil van de wolf trappen. Tegelijkertijd zal hij met zijn handen de boven*kaak van het ondier vastgrijpen en dan met onmetelijke kracht de muil van de wolf uiteen scheuren, zodat het dier dood neerzijgt.
Widar zal de nieuwe godenstad bouwen en daarin met zijn broers Balder, Wali en Hödur in eendracht en vrede leven.
24. Loki en Sigyn (Sigune)
Veel is over de heerlijkheid der verheven Asen verhaald; doch over Odin’s broer Loki valt weinig goeds mee te delen. Wel is hij edel van gestalte en schoon van aangezicht en schrander bovendien; maar zijn denken en streven is nood*lottig als verterend vuur, zijn hart is vol valsheid en arglist, en zijn tong is zeer vaardig in het uiten van gemene smaad*woorden en lasterpraat. Kwellende zorg en ontzettend verdriet heeft hij over de Asen gebracht; door zijn boosaardigheid is Balder naar de Hel gegaan.
De goden wantrouwen hem, de mensen vrezen hem, en dwergen hebben maar al te veel van zijn sluwe listen aan den lijve ondervonden.
Fenrir, Midgaardslang en Hel zijn zijn kinderen, en nooit had de wereld een ergere ramp kunnen overkomen, dan Loki door deze verschrikkelijke schepsels over haar heeft ge*bracht. Ook Nagelvaar, het dodenschip, dat uit de niet af*gesneden vingernagels der gestorvenen wordt getimmerd, is zijn werk. Bij het einde der dagen zal hij aan het stuur zitten en de vijanden der Asen tot de wereldstrijd uitdagen. Op zijn wenk zal ook Surtur met zijn vuurleger komen aanstormen; want Loki is de opperste heer en gebieder over het vuur.
De boosaardige Loki heeft een trouwe vrouw; zij heet Sigyn en heeft twee zonen: Wali en Narwe, die wegens de misdaden van hun vader door de Asen verschrikkelijk gestraft zijn: Wali werd in een wolf veranderd en verscheurde zijn broer Narwe en met diens darmen werd Loki geboeid en aan de rotsen vast* gekluisterd, waar hij tot aan de ondergang der wereld, zich wentelend in smart en pijn, vastgebonden blijft liggen.
(Uit Goden- en Heldensagen, vertaald door Maarten van Nierop)
In overoude tijden, toen hemel en aarde en goden en mensen er nog niet waren, ontstond ver in het Zuiden Muspelheem: de wereld van de brandende zon, van het vuur. Aan de grens van Muspelheem zit de wereldreus Surtur met zijn vlammend zwaard. Hij bewaakt zijn rijk en bij het einde der wereld zal hij komen om de goden te overwinnen en de wereld in vuur te doen ondergaan.
In het hoge Noorden echter was Nevelheem: het vaderland van de koude winter, van het eeuwige ijs, van de nevels en de duisternis. En er was een bron in Nevelheem, die Hwergelmir heette: de ruisende kolk. Uit deze bron kwamen twaalf rivieren, die naar het Zuiden stroomden, tussen Nevelheem en Muspelheem in de afgrond stortten en daar tot ijs verstarden. En doordat het water ononderbroken door stroomde, stapelde de ene ijsschots zich op de andere, totdat de gapende diepte geheel gevuld was.
Toen kwamen er vonken vuur uit Muspelheem overge*waaid, die op de ijsschotsen neervielen en deze verwarmden. Daaruit ontstond toen de reus Ymir.
Uit de kruiende ijsschotsen kwam ook de koe Audhumbla te voorschijn. Met haar melk voedde Ymir zich. Op zekere dag lag de reus te slapen en toen groeide uit hem onder zijn ene arm een zoon en onder zijn andere arm een dochter, en van deze beide stamt het gehele geslacht der wereld*reuzen af.
De koe Audhumbla likte aan de zilte ijsschotsen, en zie! toen kwam er een man uit te voorschijn, die Bur heette en diens zoon was Bör. En Bör nam de dochter van een reus, Bestla, tot vrouw en kreeg drie zonen: Odin, Hönir en Loki.
Het duurde niet lang of de drie broers werden groot en sterk, en toen trokken zij ten strijde tegen den oude reus Ymir.
Er ontbrandde een verschrikkelijk gevecht; Ymir werd gedood en er stroomde zoveel bloed uit zijn wonden, dat alle ijsreuzen daarin verdronken; slechts één van hen, Bergelmir geheten, wist zich met zijn vrouw op een boot te redden, en van deze beiden stammen alle latere reuzengeslachten af.
Odin, Hönir en Loki namen de dode Ymir, wierpen hem midden in de dampende afgrond tussen Nevelheem en Muspelheem en vormden uit hem de wereld. Uit zijn vlees schiepen zij de aarde, uit zijn bloed de zee en alle water, uit zijn beenderen de bergen, uit zijn tanden de stenen, uit zijn schedel de hemel. Toen namen zij de wenkbrauwen van de reus en schiepen daaruit een stevige dijk tegen de zee. Zo waren land en water van elkaar gescheiden, en de aarde werd droog, en er bloeiden gras, bloemen en bomen uit op. De goden nu noemden het vruchtbare land Midgaard en be*stemden het tot woonplaats voor toekomstige mensengeslachten.
2. Zon, maan en sterren
Er kwamen vonken vuur uit Muspelheem gevlogen, die Odin opving en tegen de hemel wierp, waar er sterren uit ontstonden. Odin schiep ook twee grote lichten, die dag en nacht zouden schijnen. En hij maakte twee wagens en zette daar de twee lichten op en voor iedere wagen spande hij twee paarden, vlug als de wind.
En er leefde een man, Mundilföri geheten, die twee zeer schone kinderen had, een jongen en een meisje. De jongen noemde hij Maan en het meisje Zon. Over zoveel hoogmoed ontstak Odin in toorn en hij voerde de kinderen van de reus naar de hemel en beval de jongen de paarden van de maan bij de teugel te leiden en het meisje moest de zonnewagen besturen.
De reuzen der duisternis schuwen het licht, daarom vatten zij grimmige haat op tegen zon en maan en wilden zij deze vernietigen. Zij namen de twee wolven Sköll en Hati, brachten die naar de hemel en joegen ze achter zon en maan aan. Vlug als de wind lopen de hemelpaarden, en toch gelukt het de wolven soms hen in te halen. Dan bevinden zon en maan zich in groot gevaar: woedend happen de wolven met de muil naar hen; de mensen zeggen dan: “Het is zons- of maansverduistering.” Tot dusver is het de lichten des hemels echter nog telkens gelukt, zich weer te bevrijden en aan hun achtervolgers te ontkomen; eerst bij het einde der wereld zullen zij door de wolven ingehaald en verslonden worden.
3. Dag en nacht
Een der reuzen had een dochter, die Nacht heette. Haar blik was somber en zij droeg een donkere mantel en een golvende zwarte sluier. Haar zoon heette Dag en bezat een stralende schoonheid. Wit en rood en vriendelijk was zijn gezicht en zijn haren schitterden als goud. Zijn kleed was blank als sneeuw en glansde als witte zijde.
En Odin gaf aan Nacht een zwarte wagen en een zwart paard, dat Hrimfaxi (Rijpmanen) heette, omdat zijn manen geheel met rijp bedekt waren. Aan haar zoon Dag echter gaf hij een prachtig wit paard, Skinfaxi, en een wagen die schit*terde als goud.
Als het nu avond wordt, rijdt Nacht omhoog naar de hemel en overschaduwd met haar zwarte mantel de aarde. Hrimfaxi schudt de rijp uit manen en staart, en het schuim uit zijn bek valt als dauw omlaag.
‘s Morgens vroeg ontwaakt Dag uit zijn sluimering. Dan stijgt hij in zijn wagen en neemt de teugels van Skinfaxi in de handen. In het Oosten gaat de gouden hemelpoort open en Dag rijdt omhoog, over zijn blauwe weg. Dan vluchten de schaduwen van Nacht, de lucht wordt helder en de stralende manen van het witte paard verlichten de aarde.
Alle schepselen begroeten de schonen Dag met vreugdegejuich, want de dag brengt licht en leven. In twaalf uren heeft Dag zijn lange weg afgelegd, dan duikt hij in het verre Westen onder in zee en zijn moeder Nacht begint haar rit.
4. De schepping van mensen en dwergen
Op zekere dag liepen de drie goddelijke broeders Odin, Hönir en Loki langs het strand van de zee. Daar stonden twee bomen, Es en Olm, en Odin sprak:
“Laat ons hier mensen uit scheppen naar ons beeld, opdat Midgaard, de schone vruchtbare aarde, door hen bewoond kan worden.”
En uit de bomen schiep hij een man en een vrouw; Hönir gaf aan de gestalten bewegelijkheid en verstand, en Loki verleende hun de zintuigen en het menselijk spraakver*mogen.
En zij noemden de man Ask (Es) en de vrouw Embla (Olm of Els) en brachten hen naar Midgaard. Daar sprak Odin tot hen:
“Hier zult gij wonen en de aarde bebouwen en de vruchten des velds eten.”
Zo leefden Ask en Embla van nu af in Midgaard en van hen stamt het gehele geslacht der mensen af.
In het binnenste der aarde echter ontstonden de dwergen. Deze waren klein en lelijk, doch bezaten menselijk ver*nuft en waren schrander. Sommige waren wit, andere zwart. Vier van hen zette Odin onder de vier hoeken des hemels, om de hemel te dragen, zij heetten: Noord, Zuid, Oost en West. De zwarte dwergen bouwden hun woningen in de spleten en in de gesteenten der aarde. Zij groeven schatten op: erts en ijzer, zilver en goud, richtten smederijen op en schiepen allerlei kostelijke dingen: rode ringen, gouden kettingen, goede zwaarden en speren en allerlei wondermooie sieraden. Zelden komen zij naar de oppervlakte der aarde. Alleen ‘s nachts durven zij naar boven te komen; want zodra de zon hen beschijnt, verliezen zij het leven en veranderen zij in steen. De witte dwergen staan niet in smederijen vol roet, om de hamer te zwaaien; hun gelaat is zo licht en schoon als de zon; daarom heten zij ook lichtalfen of elfen. Zij wanen in de zonnige ether en dansen in zomernachten bij heldere maan op de bloemenweiden van Midgaard, hun lieflijke reidansen.
5. Hoe de goden (Asen) heten en waar zij wonen
Dit zijn de namen der verheven Asen: Odin, Thor, Tyr, Balder, Forseti, Njörd (Agir), Freyr, HeimdalI, Bragi, Hödur, Wali, UlIer, Widar, Loki.
De voornaamste godinnen heten: Frigg, Sif, Freya, Gerda, Idun, Nanna, Sigyn.
In het midden van het heelal, hoog boven de aarde, bouw*den de Asen Asgaard. Hier wilden zij wonen en ieder bouwde hier zijn heerlijke woonstede. Het grootste en schoonste huis bouwde Odin, de vader van goden en mensen. Gladsheim heet zijn burcht. Helder straalt het dak, want het is met zil*veren schilden belegd. Van goud zijn de poorten en zuilen, de tafels en banken. Aan de wanden hangen schitterende pantsers en allerlei soort wapens. Er bevinden zich vele zalen in Gladsheim, de grootste is Walhalla met 540 deuren. Daar*naast bevindt zich een zaal met twaalf gouden stoelen; daar komen de Asen tezamen, wanneer zij willen beraadslagen. In Gladsheim treft men ook Odin’s hoge zetel Hlidskjalf aan. Wanneer Alvader op deze troon gaat zitten, dan overziet zijn oog alle werelden. Men kan Gladsheim gemakkelijk van de andere godenpaleizen onderscheiden: boven de gouden poort hangt een wolf, en daarboven zit een adelaar met uitgespreide vleugels, die klauwen en snavel dreigend naar voren steekt.
Het huis waarin de godinnen samenwonen heet Wingolf en doet in pracht nauwelijks voor Gladsheim met Walhalla onder.
Asgaard overtreft alle andere werelden in heerlijkheid. Als gewelf breidt zich boven Asgaard de kruin van de es Yggdrasil uit, en door het groene bladerdak van deze boom vallen eeuwig milde zonnestralen in het zalige tehuis der Asen. Met donderend geluid storten rivieren van hemelhoge ber*gen neer en geheimzinnig ruisend spoedt Saga's stroom zich door schemerige schaduwen voort. Glasir, het gouden bos, schittert en fonkelt in stralende pracht, en wanneer een der Asen door dit bos wandelt, zingen de gouden takken en weerklinkt een betoverende muziek. Daar bevindt zich het uitgestrekte, met gras begroeide Idaveld, waar de Asen in jeugdige onschuld met de gouden tafeltjes speelden, die eerst zullen worden teruggevonden, wanneer bij de ondergang der wereld alle schuld is uitgeboet en de nieuwe godenpaleizen zich tot de hemel zullen verheffen.
6. Bifröst, de hemelbrug
Toen de goden Asgaard gebouwd hadden, sloegen zij een brug van de aarde naar de hemel en noemden deze brug Bifröst; de mensenkinderen spreken echter van Regenboog. Over deze brug dalen de Asen naar de goden af, en de helden die in de strijd zijn gevallen, rijden over deze brug naar Walhalla. Bifröst heeft vele kleuren; het rood is laaiend vuur, waar niet iedereen overheen kan gaan. Boze reuzen zouden Asgaard bestormen, indien zij Bifröst konden bestijgen. Boven aan de brug staat de Hemelburcht, waar Heimdall in woont, de bewaker van Asgaard. Wanneer er gevaar dreigt, grijpt hij zijn hoorn en blaast erop, en in alle werelden wordt het geschal gehoord. Bifröst is zeer stevig gebouwd; wanneer echter bij het einde der dagen de vuurreus Surtur met zijn scharen erover heen zal rijden, dan zal de brug krakend in*een storten.
7. De wereldes Yggdrasil. De Nornen
Menige hoge eikenboom verheft zich op de bergen van Midgaard, geen is er echter zo hoog als Yggdrasil, de We*reldes. Zijn kruin welft zich boven Asgaard, de zetel der goden; de stam reikt van de aarde tot de hemel en de wortels zijn vast gegroeid diep in Midgaard, in het land der reuzen en in Nevelheem. Altijd groen is de kruin van deze heilige boom; de geit Heidrun voedt zich met zijn bladeren. En deze spijs moet wel zeer krachtig zijn; want de geit geeft zoveel mede, dat alle goden en de helden in het Walhalla volop te drinken hebben. Ook graast er een hert in de kruin, en van het gewei van dit dier vallen zoveel druppels in de bron Hwergelmir in Nevelheem, dat hier alle rivieren der wereld ontspringen. Op de top van de boom zit een adelaar en tussen diens ogen rust een havik. Langs de stam klimmen vier herten op en neer en knagen aan de verse loten; ook Ratatwiskr, een eekhoorntje, klautert langs de stam op en neer. Onder de wortel in Nevelheem, die naar Hel gaat, liggen Nidhögger, een afschuwelijke draak, en allerlei boosaardig ongedierte; deze monsters knagen aan de wortel, om de boom te vernielen. Nidhögger leeft in onenigheid met de adelaar die in de kruin zit; zij voegen elkaar heftige scheld*woorden toe, die het eekhoorntje Ratatwiskr (Twistbrenger) van de een naar de ander overbrengt.
De tweede wortel staat in het land der reuzen. Onder de*ze wortel bevindt zich een bron, die aan de reus Mimir toebehoort. Wie het water van deze bron drinkt, komt diepe geheimenissen uit de oertijd te weten. Zelfs Odin kwam op zekere dag naar Mimir en verlangde een dronk uit deze bron vol wijsheid. Mimir verschafte hem de dronk, maar Odin moest hem daarvoor een van zijn ogen in pand geven. Sindsdien is de Wereldvader éénogig.
De derde wortel staat in Midgaard, het land der mensen. Ook onder deze wortel bevindt zich een bron; op het spie*gelend water trekken witte zwanen hun kringen. Hier wonen de Nornen, drie goddelijke zusters, die geluk en ongeluk aan goden en mensenkinderen verlenen en de één een lang, de ander een kort leven schenken. De namen van de Nornen zijn Urd, Wernandi en Skuld. Urd kent alle geheimen van vroegere tijden; zij is de Norne van het verleden. Werdandi is de Norne van het heden, die de levende mensen hun lot toebedeelt. Het rijk van de toekomst behoort aan de derde Schikgodin; zij kent de dagen die nog komen zullen, uit haar hand ontvangen de mensen hun doodslot. Skuld is de Norne van de toekomst.
De es Yggdrasil heeft veel te lijden, want de draak Nidhögger en allerlei afschuwelijk ongedierte knagen aan zijn wortels; herten bijten de jonge loten van de boom af, en de geit Heidrun voedt zich met zijn bladeren; doch de verheven Nornen putten water uit Urda's Bron en besproeien daarmee de wereldboom, om te voorkomen dat hij zou verdorren en dat zijn bladeren zouden verwelken. Menigmaal rijden de Asen over Bifröst omlaag naar Midgaard en houden beraad*slaging bij de bron der Nornen, in de schaduw van de heilige boom. Wanneer echter bij het einde der tijden het geschal van Heimdall’s hoorn door alle werelden zal weerklinken, dan zal ook Yggdrasil met veel gedruis beginnen te wankelen en met een donderend gekraak in de vlammenzee van Surtur storten.
8. Walhalla. Walküren
De grootste zaal in het huis van Odin heet Walhalla. Deze zaal bezit 540 deuren en is vol pracht en heerlijkheid. Zuilen en poorten zijn van zuiver goud, en aan de wanden hangen allerlei soort wapenen. Daar zitten in lange rijen de Einherjar, eens roemrijke helden op aarde, en spreken over strijd en overwinning en lauweren. Odin’s wonderschone schildmeisjes, de Walküren, reiken hun de drinkhoorns, gevuld met schuimende mede. Ontelbaar zijn de scharen der mannen die in Walhalla zitten, en ieder van hen is een krijgsman die op het slagveld gesneuveld is. Wanneer de oorlog ontbrandt, zendt Odin de Walküren naar het slagveld. Op hinnikende paarden rijden zij door de lucht; schitterend licht gaat uit van haar helmen en pantsers en zonnestralen flitsen uit haar speren en schilden. Wanneer een dappere strijder gevallen is, galopperen zij op hem toe, tillen hem op het paard en rijden met hem over de Hemelbrug naar Walhalla.
Grote helden worden door Odin zelf aan de poort van het verblijf ontvangen en naar hun zetel geleid. Dan staan de Einherjar op en buigen eerbiedig voor de jongste erfgenaam van het Walhalla. De schildmeisjes snellen op hem toe, zetten hem geurend gebraad voor en reiken hem de mede in gouden hoornen. De Einherjar verheugen zich alle dagen in een zo voortreffelijke bediening. Iedere morgen wordt een groot everzwijn, Sährimnir, tijdens de jacht gedood en met zijn vlees verzadigen de helden zich; ‘s avonds echter loopt het dier weer levend en ongedeerd naar het woud terug. De mede wordt door de geit Heidrun gele*verd. Iedere morgen wordt er een zo groot vat mee gevuld, dat alle helden in Walhalla volop te drinken hebben. Ook Odin drinkt met hen mee, het vlees echter geeft hij aan de beide wolven Oeri en Theki die voor zijn voe*ten liggen; want de verheven Ase heeft geen behoefte aan spijs; hij leeft van wijn en mede.
Het leven van de Einherjar in Walhalla is schoon. In de vroege morgen kraait de haan
Goudenkam en wekt de slapende. Dan staan de helden van hun legersteden op, doen hun pantsers aan en zetten hun helmen op, omgorden zich met goede zwaarden en zadelen de Paarden die reeds trappelen van ongeduld. De stoet galoppeert de poorten van Walhalla uit en rijdt de strijdplaats op. Hier begint een vrolijk gevecht. Van verre hoort men paardengehinnik, luid geroep en wapengekletter. De helden bewe*gen zich wild door elkander; speren suizen door de lucht; er worden krachtige zwaardhouwen uitgedeeld; schilden botsen tegen elkaar en vonken springen uit helmen en harnassen. Menig goed paard wordt omver gelopen en roemrijke helden bijten in het zand. Nu komt Odin op zijn schimmel aangalopperen. De gouden helm bedekt zijn hoofd, zijn bovenlichaam wordt door een stralend harnas beschut. Met juichkreten wordt de verhevene Ase begroet, en alle helden neigen voor hem de speren. Odin heeft genoegen in het gevecht en eert de dapperste strijders met hartelijke woorden. Is het gevecht ten einde, dan rijden de helden vreedzaam met elkaar naar huis terug en niemand denkt verder aan de houwen die hij van de ander heeft gekregen. In Walhalla staat reeds het kostelijk maal klaar en de schildmeisjes openen de poorten terugkerende helden. Speren en schilden worden aan de wand gehangen; de dappere mannen gaan aan tafel zitten en grijpen dorstig naar de blinkende drinkhoorns, die lieftallige jonkvrouwen hun toereiken.
9. Hel
Drie rampzalige kinderen had Loki, de listige broer van Odin, die het met de ergste vijanden der goden, de kwaadaardige reuzen, hield. Het waren Hel, de Fenriswolf en de Midgaardslang. Hel is een vrouw, zo groot als een reus, voor de helft zwart, voor de helft op een mens gelijkend, die over de onderwereld, het rijk der doden, heerst. De weg die daarheen leidt is lang. Wie op een paard rijdt, dat zo vlug is als de wind, heeft negen dagen en negen nachten nodig om deze plaats te bereiken. Het rijk van Hel ligt onder Nevelheem en de weg erheen loopt door de donkere dalen van de Zwarte Dwergen. In de holen en spleten ziet men hun vuren branden en hoort men het lustige gehamer van de kleine werkers. Toch wonen er ook kwaadaardige reuzen langs de weg, die de reiziger schrik aanjagen en hem bedreigen; maar zij hebben toch op de goede mensen geen vat.
In het rijk van Hel is het eeuwig schemerdonker, nooit dringt er een zonnestraal in het land der doden binnen. Er zijn zalen, waar gouden tafels en banken in staan; daar zitten de goede mensen, drinken mede en denken in het licht der zon aan voorbije tijden.
Doch niet aan alle gestorvenen valt een zo aangenaam lot ten deel. Wie tijdens zijn leven veel kwaad heeft gedaan, die moet binnentreden in het land der duisternis, van de schrik en van de felle pijn, en daar kan hij niet uit ontvluchten. Reeds van verre hoort hij gekerm en geweeklaag en luid gehuil van smart. Er waden mensen door de slijkerige bedding van een snelvlietende rivier, die scherpe zwaarden voortstuwt. Ver*schrikkelijk is de aanblik van deze ongelukkigen. Zij worden door de golven omver geworpen en door de scherpe wapens vreselijk toegetakeld.
Aan de overzijde van de rivier staat een hal, waarvan het dak uit louter vergiftige slangen bestaat. De afschuwelijke on*dieren steken hun kop in de zaal, en spuwen vergift op de verdoemden, wier gehuil van pijn merg en been doordringt.
De ergste misdadigers komen op een plaats, waar Nidhögger en andere bloeddorstige draken verblijf houden. Daar hoort men een hartverscheurend geweeklaag. De draken vallen op de ongelukkige slachtoffers aan, verscheuren hun lichamen en zuigen hun bloed uit. Wie daar moet binnengaan, is wel zeer te beklagen.
10. De Fenriswolf
In het land der reuzen groeide Loki's grimmige zoon, de Fenriswolf, op. De Asen waren bevreesd, dat hij met de reuzen zou samenspannen om hen ten verderve te brengen, daarom haalden zij hem naar Asgaard. Weldra was hij zoo groot en sterk geworden, dat zelfs de machtige goden hem begonnen te vrezen; alleen de oorlogsgod, Tyr, was niet bang voor hem en reikte hem zijn voedsel.
De wolf werd steeds groter. Als hij zijn muil opensperde, raakte zijn bovenkaak de hemel en zijn onderkaak de aarde, en wanneer hij brulde, werden alle levende wezens door schrik en ontzetting bevangen.
Nu riep Odin de Asen samen om met hen te beraadslagen. Zij gingen de rechtszaal binnen en zetten zich op de gouden stoelen, “Ik heb u hier uitgenodigd”, zo begon de Wereld*vader, “om met u na te gaan, hoe wij Fenrir kunnen temmen.”
Hierop sprak Thor, de Sterke: “Ik zal naar hem toegaan en hem met mijn hamer doodslaan.”
“Zo moeten wij het niet doen,” antwoordde Odin, “want men mag niet kunnen zeggen: Zij hebben Asgaard met het bloed van Fenrir bezoedeld.”
“Laten wij hem dan uit Asgaard naar beneden werpen, dan worden zijn ledematen verbrijzeld en kan hij ons geen schade berokkenen,” sprak Tyr, vol overtuiging.
Verschillende aanwezigen vonden dat Tyr een goed voorstel had gedaan; Forseti echter, de Wijze en Rechtvaardige, bracht in het midden: “Ik geloof toch niet dat de val voor Fenrir veel gevolgen zou hebben, en dan zou hij vol gramschap naar de reuzen gaan en met hen boosaardige wraakplannen smeden.”
“Forseti heeft wijs gesproken,” viel Odin bij. “Ik geef deze raad: Laat ons de wolf met onbreekbare koorden boeien.”
Dit voorstel vonden alle Asen het beste, zij wisten al*leen niet of het zou gelukken, de wolf de koorden aan te binden.
“Wij moeten hem met sluwe woorden verschalken,” zei Odin. “Als wij tegen hem zeggen, dat hij nooit beroemd kan worden, wanneer hij niet eens een bewijs van zijn grote kracht levert, dan zal hij zich wel laten boeien; want hij is ijdel en zeer hovaardig van inborst. Sta nu op, Hermut, en haal de ketting, die Läding heet, uit Walhalla; breng ook Droma mee, die kluister is nog veel sterker; ik geloof toch wel dat hij noch Läding noch Droma verbreken kan.”
Hermut stond op, snelde naar Walhalla en haalde de boeien. Deze waren dik en sterk, Odin hield ze omhoog en riep uit: “Probeer het eens, Asen, om deze kettingen te breken! Wie Läding of Droma kan breken, die zal ik beslist een sterke man noemen!”
Toen namen de Asen de koorden, en spanden al hun kracht in om ze te breken; maar hoe zij ook hun best deden, het wilde niemand gelukken. Toen ook Thor vergeefs zijn kracht beproefd had, gaf hij den ketting uit handen en riep woedend uit: “Bij mijn hamer! er is grote kracht voor nodig om Läding en Droma te breken!”
“Laat ons dan maar niet langer wachten,” zei Odin en verhief zich van zijn zetel.
Toen de wolf de goden zag komen, vermoedde hij terstond dat zij iets tegen hem in het schild voerden. Hij sprong op en opende dreigend de muil. Odin echter sprak tot hem: “Denk niet, Fenrir, dat wij zijn gekomen, om je onaangenaamheden te berokkenen. Wij hebben het erover gehad, dat jij zo groot en geweldig sterk bent en dat je toch tot dusver nog geen roem of eer verworven hebt. Welnu luister! Je laat je vastbinden met deze boei, die je natuurlijk gemakkelijk kunt breken, opdat men je naam zal roemen en zal zeggen: “Fenrir is werkelijk zeer sterk, want hij heeft Läding gebroken.”
De wolf vertrouwde deze sluwe woorden slechts ten dele. Zonder iets te zeggen bekeek hij de ketting. Die was wel dik en sterk, maar hij meende toch, dat het voor hem een stuk kinderspeelgoed zou zijn. Hij stemde erin toe dat zij hem zou*den binden. Doch nauwelijks had hij de boeien gevoeld of hij strekte zijn poten uit, en Läding viel gebroken op de grond.
Dit voorval vervulde de Asen met verbazing en zij werden haast bleek van schrik. Odin evenwel herkreeg spoedig zijn zelfbeheersing en riep uit: “Heil, Fenrir! Je lichaamskracht is groot, je hebt Läding gebroken. Je zou echter nog grotere roem kunnen behalen, indien je ook Droma zou kunnen breken, want Droma is sterker dan Läding.”
De wolf bekeek de tweede boei en was toen van mening dat hij ook deze wel zou baas kunnen. Heimelijk verheugden de Asen zich daarover, want zij geloofden vast dat Fenrir nu verloren zou zijn. Droma werd stevig om zijn ledematen gebonden. Hij spande zijn spieren en voelde wel dat deze boei sterker was. Toen gebruikte hij al zijn kracht, en zie! Droma brak en viel van de wolf af. De Asen verloren de moed; Odin sprak echter, op een toon alsof hij zeer verheugd was: “Nu zal je roem in alle werelden weerklinken, Fenrir, want je hebt Läding en Droma gebroken.”
Daarop verlieten de goden de wolf. Deze verheugde zich over zijn kracht en dacht met niet geringe trots aan de over de roem, die hij zich verworven had.
“Zo schijnt onze list dus door de kracht van dat ondier verijdeld te zijn,” begon Odin zijn toespraak, toen de goden weer op hun zetels waren gaan zitten, teneinde verder te beraadslagen.
Nu nam Thor het woord en sprak: “Op mijn tochten naar Reuzenheem ben ik ook door het land der Zwarte Dwergen gekomen. De smeedkunst van dit volkje is overal beroemd. Daarom ben ik van mening dat die dwergen wel een nieuwe boei kunnen smeden, die door geen kracht gebroken kan worden.”
Deze woorden gaven de Asen nieuwe moed en Odin ant*woordde: “Het komt mij voor, dat mijn zoon Thor niet alleen in lichaamskracht de eerste is. Kom! laten wij eens gaan zien, of de dwergen hun vak verstaan.”
Nu werd Skirnir, de dienaar van Freyer, geroepen, en Odin sprak tot hem: “Skirnir, zadel mijn paard en rijd naar het land van de zwarte dwergen. En zeg dan tot de kleine kunstenaars: “Als gij de gunst van de hoge Asen niet wilt verliezen, smeedt dan een boei voor hen, die door geen enkele kracht gebroken kan worden.”
Terstond tuigde Skirnir Odin’s hengst Sleipnir op, sprong in het zadel en ging er als een stormwind in galop vandoor. Spoedig kwam hij bij de dwergen aan en deelde hun de boodschap van de Asen mede. Toen smeedden de bekwame kunstenaars een band uit zes dingen: uit de baard der vrouwen, uit het geluid van de kattentred, uit de stem der vis*sen, uit het speeksel der vogels, uit de zenuwen van de beren en uit de wortels van de bergen. Deze kluister was zo dun en zo zacht als een band van zijde en heette Gleipnir. Skirnir bracht de band bij de goden. Dezen waren een en al bewondering voor het vernuftige stuk werk, zij namen het meesterstuk en gingen ermee naar de wolf.
“Luister eens, Fenrir,” sprak Odin, “jouw kracht is bovenmate groot, want jij hebt Läding en Droma gebroken, laat je nu ook met deze band boeien, en breek ook dit stuk, dan zal jouw roem zijn weerga niet vinden.”
De wolf bekeek Gleipnir en zei: “Ik zal mij daar niet mee laten vastbinden." Want hij dacht bij zichzelf: zij hebben iets verkeerds met mij voor, en hij was erg bevreesd, dat er bij deze kluister toverij in het spel was.
“Je handelt verkeerd, Fenrir,” antwoordde Odin, “want nu zal men zeggen: Je moed is klein en groot is je lafheid.”
Toen de wolf deze woorden hoorde; begon hij van woede te brullen en afschuwelijk schuim kwam hem op zijn muil.
“Jullie willen mij ten verderve voeren!” schreeuwde hij, “daarom noemen jullie mij laf. Welnu! Laat één van jullie zijn arm in mijn muil leggen, dan zal ik mij laten boeien. Kan ik Gleipnir niet breken, dan bijt ik de arm af.”
Zo iets hadden de Asen niet verwacht. Zij stonden onthutst en wisten geen woord te zeggen.
“Nu kan men zien, wie met recht voor laf kan worden uitgemaakt,” hoonde de wolf.
“Houd die nutteloze woorden voor je, Fenrir,” antwoordde Tyr, “hier is het onderpand!” Terwijl hij dit zei, stak hij zijn arm in de muil van het ondier.
Toen werd de wolf geboeid en tevergeefs spande hij zich in, zijn grote kracht was niet toereikend om Gleipnir te breken. Toen de Asen dit zagen, lachten zij; één was er evenwel die niet lachte, en dat was Tyr; want hij schoot zijn arm er bij in.
De wolf huilde verschrikkelijk en hapte met zijn muil naar de goden om hen te verslinden; maar zij stieten hem een zwaard in de bek, waardoor hem de muil gesnoerd werd.
Daarna sleepte zij hem uit Asgaard weg en brachten hem naar een ver afgelegen diep dal. Daar vonden zij een geweldige rots, bonden daar het touw omheen en verankerden de rots diep in de aarde. Daar ligt de wolf nu tot aan de ondergang der wereld.
11. Jörmungandr, de midgaardslang
Groot is de zee, want zij omgordt de aarde als een ring. Even groot is ook de Midgaardslang, de zuster van Fenrir, want haar lichaam reikt van het ene einde der zee naar het andere. Zij is afschuwelijk om te zien; zelfs reuzen, die toch niet teergevoelig zijn, verbleken bij haar aanblik. Haar kracht is onmetelijk groot, zij doet in sterkte maat weinig voor de wolf onder. Als zij zich opheft en uitstrekt, dan ontstaan er in zee hoge golven, en de schepen komen in groot gevaar. Wordt echter haar toorn geprikkeld, dan geselt zij het water met haar staart. De zee begint woedend te brullen, huizenhoge golven slaan schuimend tegen de wal, die goedgunstige Asen aan het strand gebouwd hebben; Midgaard wordt over*stroomd, en mensen en dieren vinden de dood in de watervloed. Eens, bij het einde der wereld, zal het dier vrese*lijk te keer gaan; in een laatste grote strijd echter zal Thor met de verpletterende slagen van zijn hamer een einde aan het leven van het dier maken.
12. Odin (Wodan) en Frigg (Fricka)
Odin is de voornaamste en hoogste van alle Asen; hij is de vader van goden en mensen.
Als hij met de helden uit Walhalla ten strijde trekt, heeft hij een gouden helm op het hoofd, zijn borst wordt door een blinkend harnas beschut, aan zijn zijde hangt zijn kostbaar zwaard en in zijn hand heeft hij Gungnir, de werpspies die op verre afstand treft. Doch hij komt niet altijd in een zo schitterende uitrusting voor de dag. Als eenvoudige voetgan*ger heeft hij een blauwe mantel aan en een hoed met brede rand op het hoofd. Zijn golvende baard reikt tot midden op zijn borst. De hoge Ase heeft slechts één oog; dit is echter groot en stralend als de zon. Het andere oog heeft hij aan de reus Mimir als pand moeten geven, toen deze hem toe*stond uit de bron der wijsheid te drinken. Niet zelden ver*schijnt Odin zelfs als klein, gebogen mannetje met grijzen baard en kaal hoofd. Ook neemt hij wel eens, wanneer hem dat goeddunkt, de gestalte van een vogel of van een slang aan.
Wanneer hij met de helden in Walhalla aan tafel zit, liggen de wolven Geri en Treki aan zijn voeten. Hugin en Munin, twee raven, zo zwart als de nacht, zitten op zijn schouders. Iedere morgen verlaten zij hun plaats en vliegen zij de wijde wereld in. ‘s Middags keren zij weer terug en fluisteren de Wereldvader alles in de oren, wat zij op hun verre vlucht gehoord en gezien hebben.
Zijn paard heet Sleipnir. Het is grijs van kleur, heeft acht voeten en loopt vlug als de wind. Door de lucht, over het water en over het land rijdt hij zijn meester met dezelfde grote snelheid. Men kan dan ook wel zeggen, dat Sleipnir het beste en edelste van alle paarden is.
Odin is de god van de oorlog en de bestierder der veld*slagen. Het gekletter der zwaarden en het gekraak der schil*den is muziek voor zijn oor. Waar krijgslieden scherpe zwaard*houwen wisselen, daar vertoeft hij gaarne en grote helden zijn zijn meest geliefde gezellen. Hun deelt hij geluk toe in de strijd en aan hen geeft hij zijn spies Gungnir, die nooit zijn doel mist, ter leen.
Toch is Odin ook de god van de dichtkunst en van de ver*heven wijsheid, die hij in runen heeft neergeschreven, tot lering en opvoeding van Asen en mensenkinderen.
Zijn gemalin heet Frigg. Zij is zeer schoon en is het ver*heven voorbeeld voor alle zorgzame huisvrouwen. Met Odin deelt zij de troon Hlidskjalf, vanwaar zij alle werelden kun*nen overzien. Haar schoonste en meest geliefde zoon is Balder, de Ase van het licht. Om zijnentwille heeft Frigga veel hart*zeer geleden.
Odin’s dag was de Woensdag. Zowel in ons Woensdag als in het Engelse Wednesday vindt men de naam Wodan nog duidelijk terug.
13. Thor (Donar) en Sif (Sippia)
De geweldigste zoon van Odin is Thor, de machtige god van de donder; zijn moeder is Jörda, de aarde.
Hij is groot van gestalte; zijn borst en schouders zijn breed, en in zijn armen heeft hij ontzaglijke kracht; zelfs reuzen kunnen zich in sterkte niet met hem meten.
Rood is zijn hoofdhaar en vuurrood zijn kroesbaard; en wanneer hij toornig is, blaast hij zo hard door zijn baard, dat het als stormgedruis door het luchtruim klinkt.
In moed is er nauwelijks iemand met hem te vergelijken; dat heeft hij vaak in het openbaar getoond, wanneer het erop aan kwam, met schrikwekkende reuzen te vechten.
Weliswaar beschikt hij ook over voortreffelijke wapenen voor zulke gevechten. Zijn hamer Mjölnir, die kunstzinnige dwergen gesmeed hebben, is bij Asen en mensenkinderen beroemd en bij de reuzen gevreesd; want Mjölnir treft altijd doel en keert na iedere worp terstond weer in de hand van de machtige dondergod terug. In deze hamer is grote toverkracht verborgen, want met hem is Thor in staat doden ten leven op te wekken. Wanneer hij de hamer in de harde strijd gebruiken wil, dan trekt hij dikke ijzeren handschoenen aan, anders kan hij de hete steel niet aanpakken. Is er werkelijk van een zwaar gevecht sprake, dan omspant de machtige dondergod zijn lichaam met een krachtgordel, die hem dubbele sterkte verleent. Wie zou in staat zijn tegen Asathor, nadat deze zich zo heeft uitgerust, zegevierend te strijden! Goden noch mensen bezitten een zo grote kracht als hij, en voor de slagen van zijn hamer sidderen de reuzen; want reeds menigeen uit hun midden heeft hij het hoofd verpletterd.
Dikwijls daalt Thor te voet over Bifröst naar Midgaard af of naar Reuzenheem; niet zelden ook rijdt hij in een wagen die de kleur heeft van onweerswolken. Daar heeft hij geen hinnikende paarden voor gespannen, doch twee snelvoetige bokken: Tandenknarser en Tandenkraker. Als hij, van As*gaard komend, over de Hemelbrug rijdt, dan rolt de donder over Midgaard en bliksemstralen flitsen door de lucht: dat komt door het rollen van de wagenwielen, het tandengeknars van de bokken en door de vlammen die uit de hamer schieten.
De gemalin van Thor heet Sif. Zij is schoon en haar haar is van louter goud. Dat had de sluwe Loki van kunstzinnige dwergen gekregen voor Sif, bij wie hij uit boosaardigheid alle haar had afgesneden, waarna Thor hem wegens deze euvel*daad met ernstige hamerslagen had bedreigd.
De zonen van Thor heten Modi en Magni (Moed en Macht). Van hen wordt gezegd, dat zij in kracht maar weinig voor hun vader behoeven onder te doen. Zijn trouwe dienaar is de behendige Thjalfi. Deze vergezelt zijn meester op al diens tochten en is zo vlug als een bliksem.
De mensenkinderen hebben er alle reden voor, de machtige dondergod te prijzen. Hij beschermt hen tegen de woede van de Midgaardslang, want anders zou de zee de beschermende wal reeds lang, doorbroken hebben; hij strijdt voor hen tegen de grimmige berg- en ijsreuzen, want deze monsters haten de mensen en willen de vruchtbare aarde in een woestijn veranderen; hij slaat de onweerswolken stuk, waardoor deze over de dorstige velden verkwikkende regen*buien uitstorten; hij laat de zaden ontkiemen en de veldvruch*ten rijpen, opdat de mensen hun schuren kunnen vullen en niet van honger omkomen. Aan hem ontleent de Donderdag zijn naam en in het sterrenbeeld “Grote Wagen” of “Gro*te Beer” zagen onze voorouders het voertuig van de Don*dergod. Ook zijn hamer is nog niet vergeten: als er ergens in Duitse landen een groot bouwwerk zal worden uitgevoerd, dan wordt de eerste steen met drie hamerslagen gewijd: met Thor’s hamer, het zinnebeeld van goddelijke bescherming.
14. Tyr (Ziu)
Tyr is een zoon van Odin en, evenals zijn vader, oorlogsgod. Hij is groot en zeer sterk, en slechts zijn broer Thor kan zich, wat kracht en moed betreft, met hem vergelijken. Dat heeft hij bewezen, toen het er op aan kwam, de verschrikkelijke Fenrir te voederen; ook was hij de enige die er niet voor terugdeinsde, om zijn arm in de muil van de wolf te leggen. Sinds die dag heeft hij weliswaar slechts één arm, doch dit heeft hem waarlijk geen schande gebracht! En zou iemand het wagen, daarmee de spot te drijven, dan zou Tyr niet in gebreke blijven, om de ellendeling tegen de grond te slaan. Want deze sterke Ase bezint zich niet lang, alvorens het zwaard te trekken, indien er ergens strijd oplaait!
Oorlog is zijn grootste genoegen en alleen een held ver*schaft hem vreugde. Wie laf is in het gevecht, die kan voor zijn gramschap sidderen. Voor mensenogen onzichtbaar komt de god naderbij: zijn bliksemende kling sist door de lucht, en iedere slag maakt een dode man. Waar hij daarentegen opgewekte moed en grote dapperheid waarneemt, daar nadert hij met zijn hulp; daar neemt hij zelf in het voorste gelid aan de strijd deel en voor de vijand bestaat er dan geen ontkomen meer.
Krijgslieden, die zijn sterkte kennen, verzuimen nimmer, om vóór het begin van de strijd de machtigen Ase om hulp aan te roepen.
“Verheven Tyr, groot in kracht en heldenmoed, wees ons in de strijd nabij, opdat wij niet wankelen noch wijken! Jaag de vijand schrik aan en schenk ons de overwinning, dan zullen wij u in liederen prijzen en eren met heldenbloed! Asatyr, voortaan zullen uw altaren roken en uw vuren in het gehele land oplaaien!”
Zo roepen de strijders Tyr aan, en de sterke Ase verheugt zich over het eerbetoon en verleent hun zege en roem.
Zijn dag is de Dinsdag (Ziusdag), die te zijner ere deze naam draagt.
Odin, Thor en Tyr werden bij vele Germaanse volksstam*men als de hoogste drie goden beschouwd.
15. Balder en Nanna
Vele verheven en heerlijke gestalten wandelen in Asgaard en over de aarde der mensen, doch wie zou zich wat schoonheid betreft met Balder kunnen vergelijken! Het licht van zijn ogen is zó liefelijk, dat de kamillebloem, dat lichte, aan de aarde ontsproten zonnefiguurtje, de naam “Balderswenkbrauw” gekregen heeft. Verhevenheid en goddelijke gratie stralen op zijn voorhoofd, en de weerspiegeling van zijn gedachten werpt een gouden schijn van rozig licht over zijn wangen.
Balder is de god van het licht, van de lieftallige zomerdagen, van vroomheid, reinheid, zachtheid en goedheid. In het eeuwige zonnelicht staat zijn huis Breidablik (Breedzicht); overal in het rond heerst hemelse vrede, en nooit hoort men hier ruwe scheldwoorden of zwaardhouwen of verontrus*tend wapengekletter. Hier regeert Balder, de goede Ase, met zijn gemalin Nanna. Goden en mensenkinderen hebben hem lief en naar de woorden die uit zijn mond komen luisteren de verheven Asen met welgevallen; want zijn lippen verkondi*gen zinrijke wijsheid, en zijn tong spreekt immer woorden die tot vrede strekken. Men behoeft zich dan ook niet te verwonderen, wanneer men hoort vertellen, dat nog nooit iemand Balder heeft uitgescholden.
De machten der duisternis rusten echter nooit. Zij zinnen erop en streven ernaar, goden en mensenkinderen schade te berokkenen. Ook Balder zou van hun arglist niet ver*schoond blijven, en hij, de door allen geliefde en schuldeloze, moest op jeugdige leeftijd in het duistere rijk van Hel bin*nengaan.
16. Forseti (voorzitter)
Forseti is een zoon van Balder. Hij is rechter in het rijk der Asen. Zijn huis heet Glitnir (Glinstering). Het zilveren dak rust op gouden zuilen; ruim is de zaal en alles wat er in is, is even prachtig. Asen en Asinnen gaan er in en uit; want voor de rechterstoel van Forseti komen allen tezamen, die een twist te beslechten hebben. En niemand keert met slechte raad huiswaarts, ieder krijgt zijn recht, en met verstandige woor*den en rustige redenering weet deze Ase de strijdende partijen te verzoenen.
Het eiland Helgoland heette vroeger Forsite’s Land, dat wil zeggen Land van Forseti. Daar borrelde de heilige bron van deze god, waar men slechts zwijgend water uit dorst schep*pen. Het wild dat naar deze bron vluchtte of aan de rand ervan graasde, was veilig voor de speer en de dodelijke pijlen van de jager, want geen kind der aarde zou op deze heilige plaats bloed willen vergieten. Zelfs brutale zeerovers deins*den ervoor terug het eiland van de rechtvaardige Ase, belust op buit te betreden; want o wee, als zij de toorn van de god hadden opgewekt! Hun schip zou nooit langs gevaar*lijke klippen gekomen zijn, want Forseti zou het te pletter doen slaan, en het brutale roversgebroed in de bodemloze diepte slingeren.
17. Ägir (Ögir) en Ran, Njördr (Nord) en Skadi
Heerser over de zee is van oudsher de reus Ägir. Hij woont niet in de mooie godenstad Asgaard, maar op een eiland in zee. Hij behoort niet tot de twaalf goden van Asgaard, toch wordt hij door de Asen bijna als huns gelijke beschouwd. Hij is zeer rijk; alle schatten die de zee bergt, beschouwt hij als zijn eigendom. Zijn paleis straalt van goud en edelgesteente; en ook als het buiten donkere nacht is, is het binnen steeds licht en vriendelijk, zo helder straalt het goud van muren, zuilen en zoldering.
Ägir is vaak zacht gestemd en vrolijk als de blauwe zee op een windstille zomerdag. De Asen komen graag bij hem te gast en worden dan altijd rijkelijk en goed ontvangen. Het liefst zit hij samen met Bragi, de god van de dichtkunst. Dan speelt Bragi op de harp en zingt daar oeroude liederen bij. Ägir luistert dan aandachtig en zijn gezicht straalt zo zacht en vriendelijk als de zeespiegel op zomerse dagen.
De gemalin van Ägir heet Ran. Haar gemoed gelijkt op een stormachtige zee; zij zint voortdurend op onheil en is pas gelukkig, wanneer zij met haar dochters op schuimende golvenpaarden kan voortjagen en de schippers in angst en schrik, in dood en verderf kan storten. Daarom is de schipper bevreesd voor Ran en haar dochters, en hij maakt zich niet gereed om uit te varen, zonder Ägir te vragen, hem voor de boosaardigheid van zijn vrouw en haar dochters te behoeden.
Een andere goddelijke heerser over de zee is Njördr of Nord. Hij stamt van de Wanen, een godengeslacht van het zeestrand, af. Na een oorlog van de Wanen tegen de Asen werd hij als onderpand des vredes tegen de Ase Hönir, de broer van Odin, uitgewisseld; zo kwam hij met zijn twee kinderen Freyr en Freya in Asgaard en bouwde aan de grens van het water zijn huis Noatun, dat hij prachtig heeft ingericht, want hij is zeer rijk. Zijn gemalin Nerthus bleef echter bij de Wanen en stond daar hoog in aanzien.
Als vissers ter visvangst uitvaren, trachten zij eerst de welgezindheid en de gunst van de machtigen Nord te win*nen; want hem behoren de vissen toe en hij schenkt ze aan wie hij wil.
De tweede gemalin van Njördr heet Skadi; zij is de dochter van de reus Thjassi. Haar vader was door de Asen gedood; toen had zij een wapenrusting aangedaan en was zij naar Asgaard getrokken om van de goden genoegdoening voor haar vader te eisen. De goden hadden haar toen aan de maaltijd genodigd en beloofden haar schadeloosstelling voor de gedode vader; ook moest zij één van hen tot gemaal kiezen, zonder meer van hem te zien aan zijn voeten.
Skadi bekeek de voeten van de goden en toen zij de mooiste had uitgezocht, riep zij uit: “Deze Ase kies ik uit; hij is de schoonste en zonder enig gebrek, het kan geen ander zijn dan Balder!”
Het was echter niet Balder maar Nord, en Skadi werd zijn vrouw en woonde met hem in Noatun. Maar hoe prachtig dit paleis ook was ingericht, Skadi wilde toch liever op de wilde rotsen in Reuzenheem wonen, waar de burcht van haar vader stond. Dat kon Nord maar niet begrijpen, want hij woonde graag in Noatun, waar de meeuwen in het rond vlogen. En zij kwamen overeen, dat zij negen dagen en nachten in Noatun en dan weer even lang in Reuzenheem zouden wonen.
Het beviel de verheven Ase echter maar slecht in Reuzen*heem, en hij klaagde: “De bergen vind ik onaangenaam en het gehuil der wolven klinkt mij afschuwelijk in de oren; in Noatun zingen witte zwanen liefelijke liederen.”
Skadi echter voerde daarentegen aan: “Hoe schoon zijn de bergen, met hun schitterend ijs, rondom de burcht van mijn vader! In Noatun schreeuwen de zeevogels; daar fladdert de meeuw langs het venster en schrikt mij met zijn schorren kreet op uit mijn slaap. Daarom woon ik niet graag in Noatun.”
En Skadi maakte zich reisvaardig, trok weer naar Reuzen*heem en ging weer in de burcht van haar vader wonen. Daar leeft zij blij en gelukkig. Op sneeuwschoenen en met pijl en boog jaagt ze, vlug als de wind, op de vraatzuchtige wolf, de ruige ijsbeer, de wilde gans en het fladderende sneeuw*hoen.
18. Freyr (Frô), Gerda, Freya (Frouwa), Ostara
Elfheem heet de woning van de schone, trotse Ase Freyr. Met zijn gemalin Gerda drinkt hij daar kruidige mede.
Freyr is een lichte goedhartige Ase. Hij is de mensenkinderen goedgunstig gezind, en kan het zelden van zich verkrijgen een verzoek hunnerzijds af te wijzen. Hij heerst over regen en zonneschijn en laat het zaad in de akker ontkiemen en groeien. Het is nuttig, wanneer de landman hem in tijden van droogte om verkwikkende regen aanroept.
De dienaar van Freyr is de verstandige en trouwe Skirnir (Optuiger); die heeft ook zijn gemalin Gerda voor hem ver*worven. Tijdens de reis die hij hiertoe ondernam, heeft hij grote roem behaald.
Als Freyr wil gaan rijden, spant Skirnir voor de wagen de vlugge en zeer sterke ever, die Gullinbursti (Goudborst) heet, omdat zijn borsten van zuiver goud zijn en licht uitstralen als vlammen. Ook al rijdt Freyr door donkere wouden of door diep nachtelijke duisternis, op zijn wagen is het altijd zo licht als bij dag. Want de borsten van zijn ever stralen als duizend kaarsen.
Freyr bezit ook een voortreffelijk schip. Dit heet Skidbladnir (Sneeuwschoenblad), en is door vaardige dwergen zeer kunstig samengesteld. Het heeft altijd, zodra zijn zeilen gehesen worden, gunstige wind, waarheen men ook varen wil. Het is zo groot, dat alle Asen met hun wapenen en al hun leger*benodigdheden er in plaats kunnen nemen, en toch kan men het als een doek in elkaar vouwen en het gemakkelijk in de zak dragen. Zo ongelooflijk vernuftig is Skidbladnir; het wol*kenschip van Freyr, vervaardigd.
Freyr’s zuster Freya is de koningin der Walküren en naast Frigga de schoonste en voornaamste godin. De helft van alle helden die in de strijd sneuvelden behoort haar toe. Deze rijden naar Volkwang, haar heerlijk verblijf, waar de lieftallige godin hun eigenhandig de mede inschenkt. Als Freya zich ijlings naar het slagveld wil begeven, trekt zij haar veder*hemd aan en vliegt als een valk over land en zee.
Eens heeft zij een echtgenoot gehad die Odur heette. Die heeft haar trouweloos verlaten en haar daardoor veel leed berokkend. In alle landen heeft zij vergeefs naar hem gezocht en om zijnentwille hete tranen gestort; al haar tranen werden echter kostbare goudkorrels, en wie haar pad betrad en de druppels aanschouwde, die kon zich gelukkig prijzen.
Haar dochter heet Nossa en is onvergelijkelijk schoon. Als een meisje bijzonder schoon en bekoorlijk is, zegt men wel: “Zij is zo schoon als Nossa, de dochter van Freya.”
Freya bezit een halsketen, samengesteld uit de kostbaarste parelen en edelstenen, die het binnenste van aarde en zee ooit bevat heeft. Dit sieraad gelijkt op een hemel vol prachtig fonkelende sterren.
In plaats van paarden laat zij twee katten voor haar wagen spannen, wanneer zij uit rijden gaat. Heilig zijn deze dieren en wie hun goed te eten geeft en ze verzorgt, die verwerft zeker de gunst van de verheven godin.
Freya is de godin van de liefde, van de verlovingstijd en van het huwelijk. Bruiloften vierde men gewoonlijk op haar dag, de Vrijdag. Had de bruid goed voor de katten gezorgd, dan verleende Freya haar zonnig weer op haar huwelijksdag en geluk i haar huwelijk. Zij werd ook Frouwa genoemd, uit welk woord de schone erenaam “vrouw” is voortge*komen.
Ostara is nauw aan haar verwant; zij is de liefelijke godin, die de lente brengt. De naam Osterfeste, zoals het paasfeest in Duitsland heet, is aan deze godin ontleend.
19. Heimdall
Heimdall, een zoon van Odin, bewoont de prachtige Hemelburcht aan het boveneinde van de Asenbrug. Zijn taak is het, Asgaard te beschermen en Bifröst te bewaken, opdat geen monsterachtige reus de Hemelburcht zou betreden.
Zijn gezicht is uiterst scherp; hij kan de lange weg van de hemel naar de aarde overzien. Zijn oren zijn niet minder goed. Hij hoort het gras op het land en de wol op de schapen groeien, en zelden blijft een geluid in het heelal voor hem verborgen. Hij heeft even weinig slaap nodig als een vogel en wordt van het kleinste gerucht wakker.
Zijn tanden zijn van zuiver goud: “De morgenstond heeft goud in de mond”. Ook de manen van zijn hengst zijn van goud. Zijn zwaard is wijd en zijd beroemd, evenals de bazuin, de GjalIarhoorn, die hij aan zijn zijde draagt. Wanneer de reuzen eens, in brutale overmoed, Asgaard zouden willen bestormen, zou Heimdall op de bazuin blazen en de Asen ten strijde oproepen, en dan zou de woeste kerels hun voornemen duur te staan komen.
Eens, wanneer de Fenriswolf en de Midgaardslang vrij zullen komen, wanneer alle monsterdieren door Loki tot de laat*ste strijd worden aangevoerd, dan zal Heimdall zo geweldig op zijn hoorn blazen, dat het geluid door alle werelden weer*klinken zal. Dan zullen de reuzen, ondanks de hardheid van hun gemoed, verbleken, en dwergen en mensenkinderen zullen sidderen en zuchten van vrees; de Asen en de helden van Walhalla zullen zich echter uitrusten voor de laatste grote strijd, die hemel en aarde zal vernietigen.
Heimdall is een vriend van de mensen. Hij wandelt graag door Midgaard, brengt wegen en paden in orde, geeft de men*sen goede raad en brengt zegen in het huis, dat hij bin*nengaat.
Hij heeft de maatschappelijke standen: knechten, boeren en edelen, geschapen. Zijn wijsheid wordt hogelijk geroemd. Rigr, Iring en Irmin noemen de mensen deze goddelijke wandelaar.
20. Bragi en Idun
Bragi is schoon; zijn gezicht straalt van diepzinnige ge*dachten. Uit zijn ogen sprankelt het heilige vuur der geestdrift. Verhevenheid staat op zijn voorhoofd te lezen, en ieder woord uit zijn mond is een goudkorrel van diepe wijs*heid. Welluidende liederen vloeien van zijn lippen, en zijn spreken klinkt liefelijker dan de stem van het woud en het ruisen van de wateren, die van de bergen omlaag stromen. Zijn baard golft over zijn borst, en geen Ase heeft zulk een trots mannelijk sieraad als Bragi, de langbaardige Ase.
Hij is de god van het zingen, van de dichtkunst en van de welsprekendheid. Van hem hebben dichters en schrijvers hun gave ontvangen en aan hem dankt de redenaar zijn vlugge tong. Behalve zijn vader Odin kan geen der verheven Asen noch een van de mannen der aarde zich in diepte van inzicht en wijsheid van gedachten met Bragi meten en evenmin mag een dichter of schrijver zich erop beroemen, dat zijn kunst aan die van deze god gelijkwaardig is. Hij kent vele sagen en geschiedenissen uit de grijze oudheid, die lang vergeten waren en waarvan men niets meer te weten kon komen; en ofschoon hij het zwaard niet hanteert en geen vriend is van bloedige gevechten, geniet hij toch veel eer in de kring der Asen, alleen boze tongen willen zijn roem aantasten.
De gemalin van Bragi is Idun. De Asen hebben aan haar hoede een kostbare schat toevertrouwd: elf gouden appelen die een wonderbare toverkracht bezitten. Als de goden voelen dat zij oud worden en hun krachten afnemen, eten ze van de appelen en worden zij weer bloeiend, jong en sterk.
Zeer zorgvuldig bewaart Idun de schat in een mandje. Toch werd hij haar eens, op aanstoken van Loki, door de reus Thjassi ontroofd. Toen dreigde de wereld een zeer grote ramp. De Asen kregen grijs haar, verzwakten en konden geen weerstand meer bieden aan de slaap. Zelfs Heimdall, die zo weinig slaap nodig heeft, sloot de ogen en liet het hoofd vermoeid op de borst zakken. Indien het niet spoedig gelukt was, de gouden appelen terug te krijgen, zouden de duistere machten Asgaard bestormd hebben en dan zou de wereld*ordening vrijwel te schande zijn geworden.
De wonderdadige appelen van Iduna zijn de vruchten van den Wereldes; zij zijn zinnebeelden van de hoogste poëzie, die ook in Bragi's liederen weerklinkt en goden en mensen verkwikt en verjongt. Wanneer eens de poëzie verstomt, dan verwilderen goden en mensen, dan worden zij grijs en zwak, en de wereld is rijp voor de ondergang. Eens zal deze dag komen....
21. Hödur en Wali
Odin’s zoon Hödur is blind. Hij is de god van de winter en heerst over vorst en sneeuwstorm. Als zijn heerschappij begint, is het met al het schone op aarde gedaan: gras en bloemen verwelken, de bladeren vallen van de bomen en de vrolijke stemmen van de vogels verstommen. Zijn metgezel is Hräswelg, een reus in de gedaante van een adelaar. Deze zit hoog in het Noorden, op het voorhoofd van de aarde, en op een wenk van Hödur vliegt hij op en slaat met zijn vleugels. Dan zucht en kreunt het in het luchtruim, ijzige noorderstormen gieren, zwartgrauwe wolken jagen over Midgaard heen, en in dikke vlokken dwarrelt de sneeuw op de aarde neer. Alle wateren verstarren tot ijs, en in het wijde wereldruim wordt het zo stil als in het dodenrijk. Goden en menschen zijn van de heerschappij van Hödur afkerig. De blinde Ase heeft dan ook maar weinig vrienden. Allen hebben echter een afschuw van hem gekregen sinds door zijn hand Balder gevallen is. Hij droeg weliswaar niet de schuld van de dood van de goede god, want hij wist niet wat hij deed; het vergoten bloed riep echter om wraak, en Hödur moest gedood worden. Wali, de jonge lentegod, wierp de duistere winterheerser omlaag in het rijk van Hel. En Wali gunde zich geen tijd, voor hij het werk der wraak had volbracht. Hij kamde zijn haar niet noch wies hij handen en hoofd, alvorens het kostbaar bloed van Balder vergolden was; zede en plicht eisten zulks.
Eens echter, wanneer na deze wereld vol schuld en gebre*ken boven in de hoogte des hemels een nieuwe godenstad zal verrijzen, zullen Balder en Hödur gearmd door het groene Idaveld wandelen, en dan zullen alle haat en nijd voor eeuwig voorbij zijn.
22. Uller
In dierenhuiden gehuld, met pijl en boog gewapend, rijdt UlIer, een zoon van Odin en in de winter diens plaatsbekleder in de wereldheerschappij, op grote schaatsen over de blinkende ijs- en sneeuwvlakten, vlug als de wind, over de noordse zee. Door berg en dal volgt hij het spoor van het vluchtende wild. Hoog uit de lucht valt de zee*arend of het sneeuwhoen, door zijn pijlen getroffen, dood ter aar*de neer. Het bliksemsnelle hert, de ruige beer, de eland, het rendier en de grauwe wolf; geen van hen kan hem ontvluchten. Alles wat kruipt of vliegt is van hem, en hij verleent jachtgeluk aan wie hij wil.
Hem roepen de jagers aan, wanneer zij zich gereed, maken voor een vrolijke jachtpartij:
“UlIer, trefzekere god, laat ons e vluchtende wild niet missen! Scherp ons oog, richt onze hand en geef vleugels aan onze vlugge voeten! Als de pijl snorrend van de boogpees schiet, laat hij dan het hart van het vluchtende pelsdier, of van de oeros of van het everzwijn in het woud doorboren. Verhoor de aanroeping van uw beschermelingen en geef hun overvloedig geluk op de jacht!”
Zo roepen de jagers hun heer en meester aan. En wie hij vriendelijk gezind is, die leidt hij naar wildrijke streken en, met buit beladen, keert deze jager ‘s avonds naar huis te*rug, En bij de beker met fonkelende mede verkondigt hij de roem van de Ase en vermaant hij de jongens, die adem*loos toeluisteren, om de naam van de goddelijke schutter altijd met eerbied te noemen.
Slecht evenwel vergaat het de jager, die de verheven Ase niet eerbiedigt. Hij raakt verdwaald in een bosravijn, waar ondieren huizen; een dwaallicht lokt hem naar het moeras; op een vlakke ijsbaan struikelt hij en, als om hem te bespotten, rent de woudstier brullend aan hem voorbij. Hij mag zich waarlijk gelukkig prijzen, wanneer hij met hele ledematen, zij het dan zonder buit, naar de huiselijke haard terugkeert.
UIIer draagt ook een voortreffelijk schild op zijn jachttochten bij zich, en de Ase weet dit schild zo vaardig te hanteren, dat menigmaal een wilde os in machteloze woede zijn sterke horens ertegen versplinterd.
Skadi, de schone godenbruid, is dikwijls zijn gezellin. Juichend jagen zij samen over de schitterende ijsvlakten van het hoge Noorden voort en lachen de verwekelijkte schepsels uit die bang zijn voor de grimmige kou van de winter.
Iependal heet het verblijf van UlIer in Asgaard. Daar rust de Ase uit, wanneer hij moe is geworden van het jagen en schaatsenrijden. Rondom zijn huis groeien iepen, de taaiste bomen van het woud. Uit het hout van deze bomen vervaardigt Uller zijn boog en snijdt hij zijn pijlen die nooit missen.
23. Widar
Widar is een zoon van Odin. Hij is zeer groot en sterk, en slechts zijn broer Thor overtreft hem in lichaamskracht. Go*den en mensenkinderen noemen hem den zwijgzame Ase; want zijn mond is niet geneigd tot onbetekenend gebazel. In Landwidi, een stil dal in het woud, heeft hij zijn huis gebouwd. Hoog gras groeit voor de poorten, en geheimzinnig fluisteren de bladeren van de heen en weer wiegende boomkruinen rondom het ruime verblijf.
Eenzaam heerst Widar in zijn bosgebied, en slechts zelden zoekt hij het gezelschap van de andere Asen. En toch zien de goden met groten eerbied tegen hem op, want op hem alleen is hun laatste hoop gevestigd. Hij zal uit de gro*te wereldstrijd ongedeerd te voorschijn komen, hoewel hij in deze strijd de grootste heldendaad verricht en de Fenriswolf doodt, die zijn vader Odin verslonden heeft. Voor deze geweldige daad zal Widar geen zwaard nodig hebben; aan één voet draagt hij een ontzaglijk grote schoen; schran*dere dwergen hebben deze schoen vervaardigd uit alle repen leer, die mensenkinderen van hun schoenen snijden en achteloos wegwerpen.
Met deze grote schoen zal Widar in de muil van de wolf trappen. Tegelijkertijd zal hij met zijn handen de boven*kaak van het ondier vastgrijpen en dan met onmetelijke kracht de muil van de wolf uiteen scheuren, zodat het dier dood neerzijgt.
Widar zal de nieuwe godenstad bouwen en daarin met zijn broers Balder, Wali en Hödur in eendracht en vrede leven.
24. Loki en Sigyn (Sigune)
Veel is over de heerlijkheid der verheven Asen verhaald; doch over Odin’s broer Loki valt weinig goeds mee te delen. Wel is hij edel van gestalte en schoon van aangezicht en schrander bovendien; maar zijn denken en streven is nood*lottig als verterend vuur, zijn hart is vol valsheid en arglist, en zijn tong is zeer vaardig in het uiten van gemene smaad*woorden en lasterpraat. Kwellende zorg en ontzettend verdriet heeft hij over de Asen gebracht; door zijn boosaardigheid is Balder naar de Hel gegaan.
De goden wantrouwen hem, de mensen vrezen hem, en dwergen hebben maar al te veel van zijn sluwe listen aan den lijve ondervonden.
Fenrir, Midgaardslang en Hel zijn zijn kinderen, en nooit had de wereld een ergere ramp kunnen overkomen, dan Loki door deze verschrikkelijke schepsels over haar heeft ge*bracht. Ook Nagelvaar, het dodenschip, dat uit de niet af*gesneden vingernagels der gestorvenen wordt getimmerd, is zijn werk. Bij het einde der dagen zal hij aan het stuur zitten en de vijanden der Asen tot de wereldstrijd uitdagen. Op zijn wenk zal ook Surtur met zijn vuurleger komen aanstormen; want Loki is de opperste heer en gebieder over het vuur.
De boosaardige Loki heeft een trouwe vrouw; zij heet Sigyn en heeft twee zonen: Wali en Narwe, die wegens de misdaden van hun vader door de Asen verschrikkelijk gestraft zijn: Wali werd in een wolf veranderd en verscheurde zijn broer Narwe en met diens darmen werd Loki geboeid en aan de rotsen vast* gekluisterd, waar hij tot aan de ondergang der wereld, zich wentelend in smart en pijn, vastgebonden blijft liggen.
(Uit Goden- en Heldensagen, vertaald door Maarten van Nierop)