King George
17 april 2011, 07:55
(Met dank aan Collumnist van het Pim Fortuyn Forum (http://www.pim-fortuyn.nl/pfforum/topic.asp?TOPIC_ID=74895))
Proces Wilders en getuige Bertus Hendriks
PETER SIEBELT - 14 APRIL 2011
Morgen komt een van Nederlands grootste manipulanten aan het woord als getuige in het proces tegen Wilders: Bertus Hendriks.
Een actueel moment om nogmaals een korte beschrijving over de achtergronden van Hendriks onder de aandacht te brengen.
MOGEN WIJ ONS EVEN AAN U VOORSTELLEN
Al jaren wordt het Nederlandse publiek overgoten met de eenzijdige en veelal vet gekleurde informatie over het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Dit is in grote mate te danken aan de eerste, tweede en derde generatie Nederlanders die op enigerlei wijze te maken hadden met het Nederlands Palestijns Komitee (NPK). Om deze bewering te staven is het van belang om terug te gaan naar het jaar 1969. Toen werd de basis gelegd voor het NPK, ondermeer door personen uit de CPN, PSP, PPR, PvdA (Nieuw Links), Pax Christi, Sjaloom en de links-extreme Algemene Studenten Vereniging Amsterdam (ASVA).
Laten we beginnen met een aantal van hen even aan u voor te stellen, te beginnen met de rol van ASVA.
De in 1945 opgerichte ASVA veranderde in de jaren ’60 onder invloed van het links politiek activisme in een communistisch bolwerk. Studenten en stafleden rebelleerden tegen het universitaire en maatschappelijke systeem. ASVA speelde een dominante rol voor, tijdens en na de Maagdenhuisbezetting in 1969, een belangrijk keerpunt voor de Universiteit van Amsterdam (UvA). Beetje bij beetje kwam de Universiteit onder invloed te staan van - zoals Pim Fortuyn dat noemde - de linkse kerk. De invloed van de ASVA op de studentenbeweging en de vorming van linkse intellectuelen was veelal beslissend voor hun verdere ontwikkeling.
Hartstochtelijk namen ze deel aan allerhande activiteiten waaraan ze hun uiteindelijke wereldbeeld hebben ontleend. Hun toenmalige activiteiten waren zodanig dat ze jarenlang, dag en nacht, geschaduwd werden door de toenmalige BVD (de huidige AIVD).
In oktober 1968 rapporteerde een BVD-ambtenaar het volgende: “De ASVA dreigt een instrument van de Sovjets te worden, bij hun pogingen de Nederlandse samenleving in een voor hen gunstige zin te beïnvloeden en – als volgende fase - waar mogelijk te ontwrichten. Voor zover het de ASVA betreft is de rol van de KGB bij deze beïnvloeding wel evident.”
De laatste opmerking verdient een korte toelichting.
Er liepen banden van de ASVA naar de communistische "Internationale Vereniging van Studenten" (IUS), een mantelorganisatie van de KGB. IUS organiseerde samen met de World Federation of Democratic Youth (WFDY) onder meer wereldwijde “jeugdfestivals” die niet uitsluitend door communisten werden bijgewoond maar ook door zogenaamde sociaaldemocraten.
De meeste jeugdfestivals vonden in Oost#8209;Europa plaats. Ook PvdA’er Ad Melkert nam er deel aan. Het laatste Wereldjeugdfestival werd in 1985 in Mos*kou gehouden. Een voormalig secretaris#8209;generaal en president van IUS, de Tsjech Jiri Peli*kan die in 1968 naar het Westen vluchtte, verklaarde later dat organisaties als de IUS voor de Sovjets louter ‘onofficiële instrumenten van de buiten*landse politiek van de Sovjet-Unie’ waren.
Het is dus niet zo verwonderlijk dat ASVA betrokken raakte bij bijna alle in de inleiding genoemde revolutionaire bewegingen die door de Sovjets werden ondersteund.
De ASVA is sinds jaar en dag betrokken bij het NKP. Samen organiseerden ze:
- Het ‘hersenspoelen’ van docenten en jonge studenten.
- Werkkampen in Palestijnse gebieden.
- Een samenwerkingsverband tussen de UvA en de Palestijnse universiteit Bir Zeit.
Demonstraties.
- Congressen op het terrein en in de gebouwen van de UvA.
Tot zover ASVA, op naar de volgende. Hoe en door wie kwam het NPK tot stand?
Tijdens de oprichting van het NPK, op 14 mei 1969, kwamen in een café op het Amsterdamse Leidseplein de toenmalige oud-communist en PSP'er Piet Nak, ASVA-voorzitter, Bertus Hendriks, Kees Wagtendonk, Han Lammers (PvdA Nieuw Links), George Cammelbeek (PvdA Nieuw Links) en de Palestijn Mahmud Rabbani bij elkaar. Een aantal van hen wist reeds van wanten en hadden al enig ervaring met toenmalige communistische terroristen uit onder meer Algerije, Marokko, Syrië en Libanon.
Laten we enkele van de cafébezoekers op die 14e mei eens nader belichten.
Bertus Hendriks
Hendriks is een van de vele carrièreactivisten die het misdadige van Palestijnse terreurdaden tracht weg te poetsen met betogen als ‘ik keur het af maar je moet er wel begrip voor hebben.’ Terreurorganisaties, die weliswaar terroristische middelen gebruiken, zijn “geen terreurorganisatie”, aldus Hendriks. Hiermee trachten hij en zijn makkers niet alleen enige neutraliteit uit te stralen, maar voorkomen ze tevens dat ze hun Palestijnse kameraden tegen zich in het harnas jagen en houden zo hun jarenlange - vaak dubieuze – contacten ongeschonden in stand.
Deze NPK’er van het eerste uur heeft zich als activist, wetenschapper en journalist omhooggewerkt tot een van Nederlands bekendste Midden-Oostendeskundigen. Met duistere zaken uit zijn verleden wordt hij liever niet geconfronteerd.
In een marathoninterview met de VPRO (4 januari 2008) toonde hij zich verontwaardigd over mensen die meteen naar zijn NPK-verleden wezen om zodoende zijn objectiviteit in twijfel te trekken. Dat vond Hendriks merkwaardig, daar wilde hij niet aan worden opgehangen. Daarom wenste hij die periode niet te benadrukken.
Zijn standpunt in dezen is zeer begrijpelijk, zeker wanneer we zijn kleurrijke carrière nog eens nader bekijken.
Zijn activistische activiteiten begonnen toen hij als student in Frankrijk in een cultureel kamp Franse studenten ontmoette die lid waren van de studentenbond Nationale de Etudiants de France (UNEF). UNEF was een marxistische organisatie en speelde in die periode een belangrijke rol in het Algerijnse en Marokkaanse verzet tegen de Frankrijk.
Hendriks vond hun verhalen buitengewoon interessant en nam enige inside-informatie mee terug naar de Katholieke Universiteit te Nijmegen, de huidige Radboud Universiteit. Daar had hij een ontmoeting met de beruchte studentenleider en communist Ton Regtien. De man die zou gaan functioneren als initiator en bindmiddel tussen radicale studentenbewegingen in Nederland en het pad van Hendriks zou uitzetten naar de Amsterdamse studentenwereld. Samen zouden ze nog menig klusje klaren.
Regtien was reeds in 1956 besmet geraakt met het Algerijnse opstandelingenvirus. Dat had hij opgelopen tijdens zijn schoolvakantie in Frankrijk toen hij een ontmoeting had met een Algerijn die door de Franse politie gezocht werd. Deze ontmoeting trok hem diep in de Algerijnse zaak. In oktober 1960 was hij de initiatiefnemer van het uitbrengen van een speciaal nummer van het Nijmeegs Universiteitsblad over de Algerijnse opstand tegen de Franse overheersers. Daarin werd onverbloemd de kant van de opstandelingen gekozen. De toenmalige mondkrant van Moskou, Vrij Nederland, schreef: “Een voor deze universiteit en voor dit studentenblad ongekende daad - en voor andere studentenbladen (…) een duidelijke aanwijzing welke richting zij moeten gaan.” Voor Regtien was de directe aanleiding tot het artikel een persbericht van de club Actie Informatie Algerije waarin enkele lieden zaten die zich later eveneens achter de Palestijnse zaak schaarden.
In 1963 richtte Regtien in Amsterdam de linkse Studentenvakbeweging (SVB) op naar het voorbeeld van de UNEF. In datzelfde jaar kreeg het SVB het voor elkaar dat één van hun bestuursleden, Jan Blok, gekozen werd tot voorzitter van het ASVA-bestuur. Al snel daarna groeide de aanwezigheid van de SVB-leden binnen de ASVA en kwam er een keerpunt in de tot dan toe nogal gematigde organisatie.
De ASVA werd steeds meer betrokken bij politieke kwesties die in de jaren vijftig taboe waren. Intussen had Regtien Hendriks betrokken in zijn plan om in Amsterdam de studentenbeweging te mobiliseren. Hendriks kwam niet aan studeren toe, hij had te druk met het organiseren van andere zaken en voelde zich betrokken bij revolutionaire bewegingen in de Derde Wereld.
Hendriks geloofde in de Culturele Revolutie van Mao en werd een soort Rode Gardist die de gevestigde orde te lijf moest gaan. Volgens een betrouwbare bron zouden hij en Aat van Praag lid zijn geweest van het Marxistisch-Leninistisch Centrum Nederland (MLCN), een Maoïstische afsplitsing van de CPN. Wetenswaardig is dat de in 1972 opgerichte Socialistische Partij (SP) een afsplitsing was van de Kommunistiese Eenheidsbeweging Nederland (KEN), die op haar beurt weer een voortzetting was van het Marxistisch Leninistisch Centrum Nederland.
In 1966 richtte Hendriks samen met Aat (ook wel Ad genoemd) van Praag de links-radicale Cineclub Amsterdam op, als protest tegen de filmcensuur die politieke films over onderwerpen als de Viëtnam-oorlog verbood. Van Praag was een goede vriend van de beruchte propagandist voor communistische regimes, Joris Ivens, die contact had met overheden van zowel de Sovjet-Unie als China. Via Ivens kreeg Van Praag bijzondere documentaires in handen die voornamelijk afkomstig waren uit communistische landen. Volgens de oud-communist en voormalig bestuurslid van Cineclub, Leo Molenaar, was Cineclub door het MLCN ontworpen als ouderwetse 'mantelorganisatie'.
Al snel groeide de Cineclub uit tot een landelijk netwerk en togen stafleden met projector en films door het land, waarbij het de opdracht was om niet slechts een discussie aan te kaarten, maar tevens tot een of ander actiebesluit van de aanwezigen te komen. Cineclub bracht een landelijk blad uit, bleef nauw samenwerken met ASVA en werd al snel een belangrijk middel om jongeren en studenten te mobiliseren.
In 1966 werd Hendriks tevens voorzitter van de ASVA voor een periode van een jaar. Een periode waarin de stammenstrijd tussen gematigde leden en SVB’ers hoog oplaaiden. De gematigden verloren steeds meer terrein en moesten uiteindelijk de strijd staken. Aan het eind van zijn voorzitterschap kon Hendriks tevreden terugblikken. De SVB’ers hadden het ASVA-heft geheel in handen.
Een van zijn eerste wapenfeiten als ASVA-voorzitter kwam in juni 1967, toen hij als woordvoerder in opspraak raakte omdat hij een anti-Israël verklaring had uitgebracht over de Zesdaagse Oorlog tussen Israël en de Arabische buurlanden, Egypte, Jordanië en Syrië.
Tijdens zijn voorzitterschap gebeurden er nog een aantal zaken die de moeite waard zijn om te beschrijven, maar een en ander volgt een andere keer.
We gaan door naar het begin van 1968, toen er een roerige situatie in Europa ontstond. Overal kwamen studenten in opstand tegen de gevestigde orde. Op 21 februari hield de ASVA een ‘Internationale dag tegen het imperialisme en kolonialisme’ en in het bijzonder tegen de oorlog in Vietnam. Om de bijeenkomst en beetje kleur te geven hadden ze hun revolutionaire kameraden uit Duitsland, Rudi Dutschke en de Fransman Cohn-Bendit (tegenwoordig Europarlementariër voor de Groenen), uitgenodigd. De sfeer was opgewonden in de propvolle zaal. Dutschke presenteerde zijn plannen voor een zogenoemde stadsguerrilla in het Westen, geïnspireerd door de Vietcong, Che Guevara en de Latijns-Amerikaanse guerrilla. Wanneer hij het heeft over die alten Fascisten, von damals von Himmler bis über Claus von Amsberg, barst de zaal uit in gejoel en scandeert Claus raus!. Onder luid gejuich verliet hij na drie kwartier de bühne, waarna ASVA-voorzitter Peter Cohen de bijeenkomst afsloot met de belofte dat de komende maand in heel Europa anti-Amerikaanse acties zouden worden gehouden.
Bijna zeven weken later ging er schok door de ASVA gelederen toen op 11 april 1968 bekend werd dat Dutschke was neergeschoten. ASVA kwam onmiddellijk in het geweer - in samenwerking met ondermeer MLCN - om op de Dam in Amsterdam te protesteren. ASVA had de smaak te pakken. Enkele weken later, op 1 mei 1968, gingen ze weer de straat op. Gezamenlijk met de PvdA, de PSP, de Federatie jongeren Groepen, de Socialistische Jeugd en Politeia.
“Dood aan het kapitaal, dood aan het fascisme”, scandeerden ze. Er werden rode banieren meegedragen en portretten van ondermeer Stalin, Ho-Tsji-Minh, Che Guevara, Dutschke en Karl Marx. Uiteindelijk liep de demonstratie uit de hand en leidde tot gewelddadigheden en vernielingen in de stad. Een van de organisatoren was Hendriks maat, Ton Regtien.
In hoeverre Hendriks er zelf bij betrokken was heb ik in dit onderzoek niet kunnen achterhalen.
Op 10 mei ging ’s avonds in Parijs de eerste steen door de lucht en was de opstand tegen de Franse overheid een feit. UNEF was de belangrijkste organisator. De sfeer was grimmig en het regende stenen. De oproerpolitie probeerde een groep demonstranten tegen te houden, de menigte wierp barricades op en het ontaardde in een ware veldslag die dagen duurde. De Franse studenten hadden de oproep van de Dutschke en Cohn-Bendit een beetje te letterlijk opgevolgd. De universiteit Sorbonne werd dagenlang bezet. De posters van Mao, Stalin, Karl Marx en wapperende rode vlaggen sierden het binnenplein.
Posters van de studentenbeweging en vooral van de UNEF sierden menige muur in de stad. Ook waren er zogenoemde revolutietoeristen uit Nederland bij zoals Maarten van Traa, Harry Mulisch (een fel aanhanger van Fidel Castro), Rudolf Stokvis. Van Traa studeerde aan de Sorbonne, deed mee aan de rellen en deed voor Het Parool verslag van de onlusten. Uiteindelijk werd hij gearresteerd toen de politie in zijn Deux Chevaux pamfletten aantrof van de linkse studentenbeweging. Hij zat drie dagen in de cel en werd vervolgens met vier andere Nederlanders als ongewenst vreemdeling Frankrijk uitgezet wegens inmenging in binnenlandse aangelegenheden.
Intussen groeide er binnen de groep van Regtien en Hendriks steeds meer het idee om een variant van de Parijse studentenopstand uit te voeren. Regtien zat vol met ideeën want een maand vóór de opstand had hij nog intens overleg gevoerd met zijn kameraden in Parijs.
In die beruchte meimaand hielden ze acties tegen een plan van ingenieur August Godfried Maris, die in opdracht van het toenmalige kabinet De Jong een plan had bedacht voor een efficiënter universiteitsbestuur. Maar dat paste niet in het straatje van de SVB’ers binnen de ASVA. Ze eisten ‘inspraak op alle nivo's’. Door het hele land gingen studenten de straat op, discussieerden in aula's en betoogden in Den Haag voor de deur van Maris. Nederland werd benauwd voor een eigen ‘Parijs’: 'Studentenrevolte ook hier?', vroeg Het Parool zich bezorgd af.
De toen 23-jarige voorzitter van de Nederlandse Studenten Raad, Eduard Bomhoff, decennia later voor de LPF nog minister van Volksgezondheid in het eerste kabinet Balkenende, wees de regering fijntjes op de wereldwijde studentenonlusten: ‘ Vandaag denkt iedereen daarbij aan het buitenland. . Misschien is dat morgen niet meer het geval. '
In de loop van 1968 werden de studenten steeds brutaler. In het najaar protesteerden ze tegen het neerslaan van demonstraties in Mexico-stad en bezetten in Amsterdam het Mexicaanse consulaat. Ze wisten zich gesteund door de rector magnificus A.D. Belinfante van de Universiteit van Amsterdam en een rector magnificus van Nijmegen. Die zei tegen de studenten dat ze aan ‘het voorfront van een sociale revolutie’ stonden.
Regtien, Hendriks en talloze anderen wisten Nederland een jaar lang in de greep van een revolutiedreiging te houden.
Begin 1969 was het zover. Op 29 april werd de Hogeschool Tilburg door studenten bezet en omgedoopt tot de Karl Marx Universiteit. Acties, demonstraties, ultimatums en bezettingen volgden in vrijwel alle steden waar zich universiteiten of hogescholen bevonden.
Dan volgde op 16 mei om half negen 's avonds het klapstuk. De eerder nog met hen sympathiserende rector magnificus A.D. Belinfante van de UvA kreeg een koekje van eigen deeg. Studenten slopen via een achterraam het Maagdenhuis binnen en bezetten het bestuurlijk centrum van de UvA. Regtien en Hendriks waren erbij. Even daarvoor was Regtien met een Morris volgepropt met krantjes, stencils en studenten uit Berlijn komen rijden, in de grote verwachting dat Parijs zich in Amsterdam zou gaan herhalen. Onmiddellijk steunden hun makkers van de toenmalige PSP en CPN de bezetting en al snel wapperde de rode vlag aan het gebouw. Er klonken kreten als: “God is dood, Mao leeft”, “Yankee, verdwijn uit Vietnam” en “Hier zijn we eindelijk thuis, in ons eigen Maagdenhuis”.
Tijdens de bezetting speelde Hendriks een leidende rol. Hij was bestuurslid van het bezettingscomité en voorzitter van de plenaire vergadering. De plenaire vergadering besliste over alle activiteiten die door de bezetters werden uitgevoerd. Kasten, bureaus en zelfs de kluis in de kelder van het Maagdenhuis werd opengebroken. Alle documenten die men interessant vond werden gekopieerd (6.3). Volgens de toenmalige burgemeester Samkalden was het de ASVA bekend dat: “de bezetting van het Maagdenhuis aan het functioneren van de universiteit ontoelaatbare schade toebrengt.”
Geweld werd niet geschuwd, wat bleek toen de politie een eerste poging deed om de boel te ontruimen. Zo werden ze bekogeld met flessen, serviesgoed, meubilair en brandspuiten. Volgens Hendriks werd de aanval ‘succesvol afgeslagen’.
Hendriks onderhandelde namens de bezetters met politie, gemeente en universiteitsbestuur. Vlak voor de ontruiming op 21 mei pompte Hendriks er bij de bezetters enkele belangrijke regels in: “Zingen, boe-roepen, verder niets zeggen. Laat je niet provoceren!” (Zozzaro archief, Maagdenhuisbezetting. Een analyse. Van Gennep (1969), pagina 2.11b,2.20, 2.37).
Hendriks was een druk baasje, behalve de geplande bezetting stond er nog een andere zaak op stapel. Die vond twee dagen vóór de bezetting van het Maagdenhuis plaats: op 14 mei, de dag van de oprichting van het NPK. De 14e was als oprichtingsdatum gekozen omdat die dag door de Palestijnen werd herdacht als hun ‘verdrijving’ in 1948.
Een jaar na de oprichting werd Hendriks voorzitter en woordvoerder van het NPK en zou dit tot 1978 blijven. Een turbulente periode die getekend werd door de voortdurende vliegtuigkapingen en de moord op elf Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in München van 1972.
Inmiddels had Hendriks een dubbele pet op en was naast de PKN activiteiten begonnen met een wetenschappelijke carrière aan de Universiteit van Amsterdam. Als docent politieke antropologie van de Arabische en Islamitische wereld. In 1989 kwam hij bij de Wereldomroep terecht waar hij van 1989 tot 1994 hoofd was van de Arabische afdeling van Radio Nederland. Daarna was hij tot aan zijn pensioen in 2007 Midden-Oostenspecialist voor alle taalafdelingen van de Wereldomroep. Intussen trad hij steeds vaker op als deskundige in NOVA, het NOS Journaal en ander radio- en televisieprogramma’s om daar een nadere uiteenzetting te geven van wat er op dat moment aan de hand was in het Midden-Oosten. Sinds oktober 2008 is hij voorzitter van de journalisten en schrijversclub On File. Ook het ministerie van Buitenlandse Zaken maakt gebruik van zijn diensten.
In zijn carrière heeft Hendriks als activist en als journalist de voormalige PLO-leider Arafat meerdere keren ontmoet, in Beiroet, in Algiers en in Egypte. Na Arafats dood is Hendriks ‘op een ander paard gaan wedden’, t.w. Hamas.
Wie de moeite kan opbrengen om Hendriks langdurig aan te horen (drie sessies van een uur) raad ik aan om het VPRO marathon interview met hem op 4 januari 2008 te beluisteren.
Dit interview geeft namelijk een aardige indruk over de merkwaardige wijze waarop Hendriks zijn eigen geschiedenis belicht. Neem zijn toelichting (0:17:20-0:19:25 ) over de wijze waarop zijn eerste reis naar Israël en de Palestijnse gebieden tot stand was gekomen.
“Midden in de bezetting van het Maagdenhuis komt eh, eh, mijn vriend naar me toe en zegt we hebben een uitnodiging om iemand mee te sturen op een fact-finding mission, een reis naar het Midden-Oosten.” Volgens zijn vriend had hij zich daar indertijd mee bezig gehouden en daarom moest hij maar mee. “Dat vond ik wel een interessante gedachte”, aldus Hendriks. Volgens hem was de reis tot stand gekomen door een interview van ‘de grote held van de Februaristaking’ (…), Piet Nak. Deze had zich ook al geroerd in het Vietnamdebat en was ook een van de grote leiders van de massademonstraties die tegen de Amerikaanse politiek in die jaren werd gehouden (…) Piet Nak leest in het Vrije Volk een interview met Mahmoud Rabbani, de Consul van Koeweit, maar hij was eigenlijk een Palestijnse vluchteling die hier zakenman was geworden en die een beetje de informele ambassadeur was van de Palestijnen in Nederland (…) Piet Nak die leest dat interview en denkt: ‘tja, dat heb ik nooit geweten’ en belt Rabbani op. En Rabbani, een scherp politiek instinct, die had in één keer in de gaten ‘ik heb hier goud in de handen’, dus die zegt ‘ik ga een reis organiseren’, dus die wilde meteen een eerste klas missie van ministers en Kamerleden uit Nederland naar die Arabische landen en dan met Piet Nak ook erbij. Maar ja, er was geen minister of Kamerlid in Nederland die zich aan dit controversiële conflict de vingers wilde branden dus wat gebeurde er: Rabbani viel terug op het tweede echelon. Dat waren jongerenorganisaties, studentenorganisaties en zo kwamen ze dus ook bij de ASVA terecht.”
Wanneer we in het kort de feiten op een rij zetten is het bovenstaande op zijn minst dubieus te noemen. Met name Hendriks versie van de totstandkoming van de Midden-Oostenreis. Hendriks verdraait of verzwijgt enkele belangrijke feiten. Namelijk dat hij Rabbani al eerder bij een belangrijke bijeenkomst had leren kennen, tijdens de oprichting van het NPK op 14 mei 1969. Pas enkele dagen later begon de Maagdenhuisbezetting die van 16 tot 21 mei 1969 duurde.
Mogelijk is dit tekenend voor de Nederlandse Midden-Oostendeskundige die al jaren als een paling in een emmer snot door het Palestijns-Israëlische probleem glibbert. Hij is een levendig voorbeeld van de mensen die zeer lucratief “Het pad van Marx naar Allah” bewandelen. Eerst steunde hij jarenlang het marxistische regiem van de PLO, om ze vervolgens tijdens de Palestijnse verkiezingen in Rammalah in januari 2006 te beschuldigden van corruptie en vriendjespolitiek (iets dat al jaren een publiek geheim was). Vervolgens omschrijft hij de radicale fundamentalistische Hamas als een organisatie met “een schone en eerlijke reputatie. Op 11 januari 2009 verscheen hij met een aantal van zijn deskundige kameraden in een kleurrijke documentaire van de Nederlandse Islamitische Omroep (NIO). Ook hier glibberde hij weer om de misdadige praktijken van Hamas heen. “Hamas is geen terreurorganisatie, Hamas gebruikt weliswaar terroristische middelen ehhh, evenals de meeste bevrijdingsbewegingen gedaan hebben, zoals in Algerije (…)”.
http://www.hetvrijevolk.com/index.php?pagina=13119
Proces Wilders en getuige Bertus Hendriks
PETER SIEBELT - 14 APRIL 2011
Morgen komt een van Nederlands grootste manipulanten aan het woord als getuige in het proces tegen Wilders: Bertus Hendriks.
Een actueel moment om nogmaals een korte beschrijving over de achtergronden van Hendriks onder de aandacht te brengen.
MOGEN WIJ ONS EVEN AAN U VOORSTELLEN
Al jaren wordt het Nederlandse publiek overgoten met de eenzijdige en veelal vet gekleurde informatie over het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Dit is in grote mate te danken aan de eerste, tweede en derde generatie Nederlanders die op enigerlei wijze te maken hadden met het Nederlands Palestijns Komitee (NPK). Om deze bewering te staven is het van belang om terug te gaan naar het jaar 1969. Toen werd de basis gelegd voor het NPK, ondermeer door personen uit de CPN, PSP, PPR, PvdA (Nieuw Links), Pax Christi, Sjaloom en de links-extreme Algemene Studenten Vereniging Amsterdam (ASVA).
Laten we beginnen met een aantal van hen even aan u voor te stellen, te beginnen met de rol van ASVA.
De in 1945 opgerichte ASVA veranderde in de jaren ’60 onder invloed van het links politiek activisme in een communistisch bolwerk. Studenten en stafleden rebelleerden tegen het universitaire en maatschappelijke systeem. ASVA speelde een dominante rol voor, tijdens en na de Maagdenhuisbezetting in 1969, een belangrijk keerpunt voor de Universiteit van Amsterdam (UvA). Beetje bij beetje kwam de Universiteit onder invloed te staan van - zoals Pim Fortuyn dat noemde - de linkse kerk. De invloed van de ASVA op de studentenbeweging en de vorming van linkse intellectuelen was veelal beslissend voor hun verdere ontwikkeling.
Hartstochtelijk namen ze deel aan allerhande activiteiten waaraan ze hun uiteindelijke wereldbeeld hebben ontleend. Hun toenmalige activiteiten waren zodanig dat ze jarenlang, dag en nacht, geschaduwd werden door de toenmalige BVD (de huidige AIVD).
In oktober 1968 rapporteerde een BVD-ambtenaar het volgende: “De ASVA dreigt een instrument van de Sovjets te worden, bij hun pogingen de Nederlandse samenleving in een voor hen gunstige zin te beïnvloeden en – als volgende fase - waar mogelijk te ontwrichten. Voor zover het de ASVA betreft is de rol van de KGB bij deze beïnvloeding wel evident.”
De laatste opmerking verdient een korte toelichting.
Er liepen banden van de ASVA naar de communistische "Internationale Vereniging van Studenten" (IUS), een mantelorganisatie van de KGB. IUS organiseerde samen met de World Federation of Democratic Youth (WFDY) onder meer wereldwijde “jeugdfestivals” die niet uitsluitend door communisten werden bijgewoond maar ook door zogenaamde sociaaldemocraten.
De meeste jeugdfestivals vonden in Oost#8209;Europa plaats. Ook PvdA’er Ad Melkert nam er deel aan. Het laatste Wereldjeugdfestival werd in 1985 in Mos*kou gehouden. Een voormalig secretaris#8209;generaal en president van IUS, de Tsjech Jiri Peli*kan die in 1968 naar het Westen vluchtte, verklaarde later dat organisaties als de IUS voor de Sovjets louter ‘onofficiële instrumenten van de buiten*landse politiek van de Sovjet-Unie’ waren.
Het is dus niet zo verwonderlijk dat ASVA betrokken raakte bij bijna alle in de inleiding genoemde revolutionaire bewegingen die door de Sovjets werden ondersteund.
De ASVA is sinds jaar en dag betrokken bij het NKP. Samen organiseerden ze:
- Het ‘hersenspoelen’ van docenten en jonge studenten.
- Werkkampen in Palestijnse gebieden.
- Een samenwerkingsverband tussen de UvA en de Palestijnse universiteit Bir Zeit.
Demonstraties.
- Congressen op het terrein en in de gebouwen van de UvA.
Tot zover ASVA, op naar de volgende. Hoe en door wie kwam het NPK tot stand?
Tijdens de oprichting van het NPK, op 14 mei 1969, kwamen in een café op het Amsterdamse Leidseplein de toenmalige oud-communist en PSP'er Piet Nak, ASVA-voorzitter, Bertus Hendriks, Kees Wagtendonk, Han Lammers (PvdA Nieuw Links), George Cammelbeek (PvdA Nieuw Links) en de Palestijn Mahmud Rabbani bij elkaar. Een aantal van hen wist reeds van wanten en hadden al enig ervaring met toenmalige communistische terroristen uit onder meer Algerije, Marokko, Syrië en Libanon.
Laten we enkele van de cafébezoekers op die 14e mei eens nader belichten.
Bertus Hendriks
Hendriks is een van de vele carrièreactivisten die het misdadige van Palestijnse terreurdaden tracht weg te poetsen met betogen als ‘ik keur het af maar je moet er wel begrip voor hebben.’ Terreurorganisaties, die weliswaar terroristische middelen gebruiken, zijn “geen terreurorganisatie”, aldus Hendriks. Hiermee trachten hij en zijn makkers niet alleen enige neutraliteit uit te stralen, maar voorkomen ze tevens dat ze hun Palestijnse kameraden tegen zich in het harnas jagen en houden zo hun jarenlange - vaak dubieuze – contacten ongeschonden in stand.
Deze NPK’er van het eerste uur heeft zich als activist, wetenschapper en journalist omhooggewerkt tot een van Nederlands bekendste Midden-Oostendeskundigen. Met duistere zaken uit zijn verleden wordt hij liever niet geconfronteerd.
In een marathoninterview met de VPRO (4 januari 2008) toonde hij zich verontwaardigd over mensen die meteen naar zijn NPK-verleden wezen om zodoende zijn objectiviteit in twijfel te trekken. Dat vond Hendriks merkwaardig, daar wilde hij niet aan worden opgehangen. Daarom wenste hij die periode niet te benadrukken.
Zijn standpunt in dezen is zeer begrijpelijk, zeker wanneer we zijn kleurrijke carrière nog eens nader bekijken.
Zijn activistische activiteiten begonnen toen hij als student in Frankrijk in een cultureel kamp Franse studenten ontmoette die lid waren van de studentenbond Nationale de Etudiants de France (UNEF). UNEF was een marxistische organisatie en speelde in die periode een belangrijke rol in het Algerijnse en Marokkaanse verzet tegen de Frankrijk.
Hendriks vond hun verhalen buitengewoon interessant en nam enige inside-informatie mee terug naar de Katholieke Universiteit te Nijmegen, de huidige Radboud Universiteit. Daar had hij een ontmoeting met de beruchte studentenleider en communist Ton Regtien. De man die zou gaan functioneren als initiator en bindmiddel tussen radicale studentenbewegingen in Nederland en het pad van Hendriks zou uitzetten naar de Amsterdamse studentenwereld. Samen zouden ze nog menig klusje klaren.
Regtien was reeds in 1956 besmet geraakt met het Algerijnse opstandelingenvirus. Dat had hij opgelopen tijdens zijn schoolvakantie in Frankrijk toen hij een ontmoeting had met een Algerijn die door de Franse politie gezocht werd. Deze ontmoeting trok hem diep in de Algerijnse zaak. In oktober 1960 was hij de initiatiefnemer van het uitbrengen van een speciaal nummer van het Nijmeegs Universiteitsblad over de Algerijnse opstand tegen de Franse overheersers. Daarin werd onverbloemd de kant van de opstandelingen gekozen. De toenmalige mondkrant van Moskou, Vrij Nederland, schreef: “Een voor deze universiteit en voor dit studentenblad ongekende daad - en voor andere studentenbladen (…) een duidelijke aanwijzing welke richting zij moeten gaan.” Voor Regtien was de directe aanleiding tot het artikel een persbericht van de club Actie Informatie Algerije waarin enkele lieden zaten die zich later eveneens achter de Palestijnse zaak schaarden.
In 1963 richtte Regtien in Amsterdam de linkse Studentenvakbeweging (SVB) op naar het voorbeeld van de UNEF. In datzelfde jaar kreeg het SVB het voor elkaar dat één van hun bestuursleden, Jan Blok, gekozen werd tot voorzitter van het ASVA-bestuur. Al snel daarna groeide de aanwezigheid van de SVB-leden binnen de ASVA en kwam er een keerpunt in de tot dan toe nogal gematigde organisatie.
De ASVA werd steeds meer betrokken bij politieke kwesties die in de jaren vijftig taboe waren. Intussen had Regtien Hendriks betrokken in zijn plan om in Amsterdam de studentenbeweging te mobiliseren. Hendriks kwam niet aan studeren toe, hij had te druk met het organiseren van andere zaken en voelde zich betrokken bij revolutionaire bewegingen in de Derde Wereld.
Hendriks geloofde in de Culturele Revolutie van Mao en werd een soort Rode Gardist die de gevestigde orde te lijf moest gaan. Volgens een betrouwbare bron zouden hij en Aat van Praag lid zijn geweest van het Marxistisch-Leninistisch Centrum Nederland (MLCN), een Maoïstische afsplitsing van de CPN. Wetenswaardig is dat de in 1972 opgerichte Socialistische Partij (SP) een afsplitsing was van de Kommunistiese Eenheidsbeweging Nederland (KEN), die op haar beurt weer een voortzetting was van het Marxistisch Leninistisch Centrum Nederland.
In 1966 richtte Hendriks samen met Aat (ook wel Ad genoemd) van Praag de links-radicale Cineclub Amsterdam op, als protest tegen de filmcensuur die politieke films over onderwerpen als de Viëtnam-oorlog verbood. Van Praag was een goede vriend van de beruchte propagandist voor communistische regimes, Joris Ivens, die contact had met overheden van zowel de Sovjet-Unie als China. Via Ivens kreeg Van Praag bijzondere documentaires in handen die voornamelijk afkomstig waren uit communistische landen. Volgens de oud-communist en voormalig bestuurslid van Cineclub, Leo Molenaar, was Cineclub door het MLCN ontworpen als ouderwetse 'mantelorganisatie'.
Al snel groeide de Cineclub uit tot een landelijk netwerk en togen stafleden met projector en films door het land, waarbij het de opdracht was om niet slechts een discussie aan te kaarten, maar tevens tot een of ander actiebesluit van de aanwezigen te komen. Cineclub bracht een landelijk blad uit, bleef nauw samenwerken met ASVA en werd al snel een belangrijk middel om jongeren en studenten te mobiliseren.
In 1966 werd Hendriks tevens voorzitter van de ASVA voor een periode van een jaar. Een periode waarin de stammenstrijd tussen gematigde leden en SVB’ers hoog oplaaiden. De gematigden verloren steeds meer terrein en moesten uiteindelijk de strijd staken. Aan het eind van zijn voorzitterschap kon Hendriks tevreden terugblikken. De SVB’ers hadden het ASVA-heft geheel in handen.
Een van zijn eerste wapenfeiten als ASVA-voorzitter kwam in juni 1967, toen hij als woordvoerder in opspraak raakte omdat hij een anti-Israël verklaring had uitgebracht over de Zesdaagse Oorlog tussen Israël en de Arabische buurlanden, Egypte, Jordanië en Syrië.
Tijdens zijn voorzitterschap gebeurden er nog een aantal zaken die de moeite waard zijn om te beschrijven, maar een en ander volgt een andere keer.
We gaan door naar het begin van 1968, toen er een roerige situatie in Europa ontstond. Overal kwamen studenten in opstand tegen de gevestigde orde. Op 21 februari hield de ASVA een ‘Internationale dag tegen het imperialisme en kolonialisme’ en in het bijzonder tegen de oorlog in Vietnam. Om de bijeenkomst en beetje kleur te geven hadden ze hun revolutionaire kameraden uit Duitsland, Rudi Dutschke en de Fransman Cohn-Bendit (tegenwoordig Europarlementariër voor de Groenen), uitgenodigd. De sfeer was opgewonden in de propvolle zaal. Dutschke presenteerde zijn plannen voor een zogenoemde stadsguerrilla in het Westen, geïnspireerd door de Vietcong, Che Guevara en de Latijns-Amerikaanse guerrilla. Wanneer hij het heeft over die alten Fascisten, von damals von Himmler bis über Claus von Amsberg, barst de zaal uit in gejoel en scandeert Claus raus!. Onder luid gejuich verliet hij na drie kwartier de bühne, waarna ASVA-voorzitter Peter Cohen de bijeenkomst afsloot met de belofte dat de komende maand in heel Europa anti-Amerikaanse acties zouden worden gehouden.
Bijna zeven weken later ging er schok door de ASVA gelederen toen op 11 april 1968 bekend werd dat Dutschke was neergeschoten. ASVA kwam onmiddellijk in het geweer - in samenwerking met ondermeer MLCN - om op de Dam in Amsterdam te protesteren. ASVA had de smaak te pakken. Enkele weken later, op 1 mei 1968, gingen ze weer de straat op. Gezamenlijk met de PvdA, de PSP, de Federatie jongeren Groepen, de Socialistische Jeugd en Politeia.
“Dood aan het kapitaal, dood aan het fascisme”, scandeerden ze. Er werden rode banieren meegedragen en portretten van ondermeer Stalin, Ho-Tsji-Minh, Che Guevara, Dutschke en Karl Marx. Uiteindelijk liep de demonstratie uit de hand en leidde tot gewelddadigheden en vernielingen in de stad. Een van de organisatoren was Hendriks maat, Ton Regtien.
In hoeverre Hendriks er zelf bij betrokken was heb ik in dit onderzoek niet kunnen achterhalen.
Op 10 mei ging ’s avonds in Parijs de eerste steen door de lucht en was de opstand tegen de Franse overheid een feit. UNEF was de belangrijkste organisator. De sfeer was grimmig en het regende stenen. De oproerpolitie probeerde een groep demonstranten tegen te houden, de menigte wierp barricades op en het ontaardde in een ware veldslag die dagen duurde. De Franse studenten hadden de oproep van de Dutschke en Cohn-Bendit een beetje te letterlijk opgevolgd. De universiteit Sorbonne werd dagenlang bezet. De posters van Mao, Stalin, Karl Marx en wapperende rode vlaggen sierden het binnenplein.
Posters van de studentenbeweging en vooral van de UNEF sierden menige muur in de stad. Ook waren er zogenoemde revolutietoeristen uit Nederland bij zoals Maarten van Traa, Harry Mulisch (een fel aanhanger van Fidel Castro), Rudolf Stokvis. Van Traa studeerde aan de Sorbonne, deed mee aan de rellen en deed voor Het Parool verslag van de onlusten. Uiteindelijk werd hij gearresteerd toen de politie in zijn Deux Chevaux pamfletten aantrof van de linkse studentenbeweging. Hij zat drie dagen in de cel en werd vervolgens met vier andere Nederlanders als ongewenst vreemdeling Frankrijk uitgezet wegens inmenging in binnenlandse aangelegenheden.
Intussen groeide er binnen de groep van Regtien en Hendriks steeds meer het idee om een variant van de Parijse studentenopstand uit te voeren. Regtien zat vol met ideeën want een maand vóór de opstand had hij nog intens overleg gevoerd met zijn kameraden in Parijs.
In die beruchte meimaand hielden ze acties tegen een plan van ingenieur August Godfried Maris, die in opdracht van het toenmalige kabinet De Jong een plan had bedacht voor een efficiënter universiteitsbestuur. Maar dat paste niet in het straatje van de SVB’ers binnen de ASVA. Ze eisten ‘inspraak op alle nivo's’. Door het hele land gingen studenten de straat op, discussieerden in aula's en betoogden in Den Haag voor de deur van Maris. Nederland werd benauwd voor een eigen ‘Parijs’: 'Studentenrevolte ook hier?', vroeg Het Parool zich bezorgd af.
De toen 23-jarige voorzitter van de Nederlandse Studenten Raad, Eduard Bomhoff, decennia later voor de LPF nog minister van Volksgezondheid in het eerste kabinet Balkenende, wees de regering fijntjes op de wereldwijde studentenonlusten: ‘ Vandaag denkt iedereen daarbij aan het buitenland. . Misschien is dat morgen niet meer het geval. '
In de loop van 1968 werden de studenten steeds brutaler. In het najaar protesteerden ze tegen het neerslaan van demonstraties in Mexico-stad en bezetten in Amsterdam het Mexicaanse consulaat. Ze wisten zich gesteund door de rector magnificus A.D. Belinfante van de Universiteit van Amsterdam en een rector magnificus van Nijmegen. Die zei tegen de studenten dat ze aan ‘het voorfront van een sociale revolutie’ stonden.
Regtien, Hendriks en talloze anderen wisten Nederland een jaar lang in de greep van een revolutiedreiging te houden.
Begin 1969 was het zover. Op 29 april werd de Hogeschool Tilburg door studenten bezet en omgedoopt tot de Karl Marx Universiteit. Acties, demonstraties, ultimatums en bezettingen volgden in vrijwel alle steden waar zich universiteiten of hogescholen bevonden.
Dan volgde op 16 mei om half negen 's avonds het klapstuk. De eerder nog met hen sympathiserende rector magnificus A.D. Belinfante van de UvA kreeg een koekje van eigen deeg. Studenten slopen via een achterraam het Maagdenhuis binnen en bezetten het bestuurlijk centrum van de UvA. Regtien en Hendriks waren erbij. Even daarvoor was Regtien met een Morris volgepropt met krantjes, stencils en studenten uit Berlijn komen rijden, in de grote verwachting dat Parijs zich in Amsterdam zou gaan herhalen. Onmiddellijk steunden hun makkers van de toenmalige PSP en CPN de bezetting en al snel wapperde de rode vlag aan het gebouw. Er klonken kreten als: “God is dood, Mao leeft”, “Yankee, verdwijn uit Vietnam” en “Hier zijn we eindelijk thuis, in ons eigen Maagdenhuis”.
Tijdens de bezetting speelde Hendriks een leidende rol. Hij was bestuurslid van het bezettingscomité en voorzitter van de plenaire vergadering. De plenaire vergadering besliste over alle activiteiten die door de bezetters werden uitgevoerd. Kasten, bureaus en zelfs de kluis in de kelder van het Maagdenhuis werd opengebroken. Alle documenten die men interessant vond werden gekopieerd (6.3). Volgens de toenmalige burgemeester Samkalden was het de ASVA bekend dat: “de bezetting van het Maagdenhuis aan het functioneren van de universiteit ontoelaatbare schade toebrengt.”
Geweld werd niet geschuwd, wat bleek toen de politie een eerste poging deed om de boel te ontruimen. Zo werden ze bekogeld met flessen, serviesgoed, meubilair en brandspuiten. Volgens Hendriks werd de aanval ‘succesvol afgeslagen’.
Hendriks onderhandelde namens de bezetters met politie, gemeente en universiteitsbestuur. Vlak voor de ontruiming op 21 mei pompte Hendriks er bij de bezetters enkele belangrijke regels in: “Zingen, boe-roepen, verder niets zeggen. Laat je niet provoceren!” (Zozzaro archief, Maagdenhuisbezetting. Een analyse. Van Gennep (1969), pagina 2.11b,2.20, 2.37).
Hendriks was een druk baasje, behalve de geplande bezetting stond er nog een andere zaak op stapel. Die vond twee dagen vóór de bezetting van het Maagdenhuis plaats: op 14 mei, de dag van de oprichting van het NPK. De 14e was als oprichtingsdatum gekozen omdat die dag door de Palestijnen werd herdacht als hun ‘verdrijving’ in 1948.
Een jaar na de oprichting werd Hendriks voorzitter en woordvoerder van het NPK en zou dit tot 1978 blijven. Een turbulente periode die getekend werd door de voortdurende vliegtuigkapingen en de moord op elf Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in München van 1972.
Inmiddels had Hendriks een dubbele pet op en was naast de PKN activiteiten begonnen met een wetenschappelijke carrière aan de Universiteit van Amsterdam. Als docent politieke antropologie van de Arabische en Islamitische wereld. In 1989 kwam hij bij de Wereldomroep terecht waar hij van 1989 tot 1994 hoofd was van de Arabische afdeling van Radio Nederland. Daarna was hij tot aan zijn pensioen in 2007 Midden-Oostenspecialist voor alle taalafdelingen van de Wereldomroep. Intussen trad hij steeds vaker op als deskundige in NOVA, het NOS Journaal en ander radio- en televisieprogramma’s om daar een nadere uiteenzetting te geven van wat er op dat moment aan de hand was in het Midden-Oosten. Sinds oktober 2008 is hij voorzitter van de journalisten en schrijversclub On File. Ook het ministerie van Buitenlandse Zaken maakt gebruik van zijn diensten.
In zijn carrière heeft Hendriks als activist en als journalist de voormalige PLO-leider Arafat meerdere keren ontmoet, in Beiroet, in Algiers en in Egypte. Na Arafats dood is Hendriks ‘op een ander paard gaan wedden’, t.w. Hamas.
Wie de moeite kan opbrengen om Hendriks langdurig aan te horen (drie sessies van een uur) raad ik aan om het VPRO marathon interview met hem op 4 januari 2008 te beluisteren.
Dit interview geeft namelijk een aardige indruk over de merkwaardige wijze waarop Hendriks zijn eigen geschiedenis belicht. Neem zijn toelichting (0:17:20-0:19:25 ) over de wijze waarop zijn eerste reis naar Israël en de Palestijnse gebieden tot stand was gekomen.
“Midden in de bezetting van het Maagdenhuis komt eh, eh, mijn vriend naar me toe en zegt we hebben een uitnodiging om iemand mee te sturen op een fact-finding mission, een reis naar het Midden-Oosten.” Volgens zijn vriend had hij zich daar indertijd mee bezig gehouden en daarom moest hij maar mee. “Dat vond ik wel een interessante gedachte”, aldus Hendriks. Volgens hem was de reis tot stand gekomen door een interview van ‘de grote held van de Februaristaking’ (…), Piet Nak. Deze had zich ook al geroerd in het Vietnamdebat en was ook een van de grote leiders van de massademonstraties die tegen de Amerikaanse politiek in die jaren werd gehouden (…) Piet Nak leest in het Vrije Volk een interview met Mahmoud Rabbani, de Consul van Koeweit, maar hij was eigenlijk een Palestijnse vluchteling die hier zakenman was geworden en die een beetje de informele ambassadeur was van de Palestijnen in Nederland (…) Piet Nak die leest dat interview en denkt: ‘tja, dat heb ik nooit geweten’ en belt Rabbani op. En Rabbani, een scherp politiek instinct, die had in één keer in de gaten ‘ik heb hier goud in de handen’, dus die zegt ‘ik ga een reis organiseren’, dus die wilde meteen een eerste klas missie van ministers en Kamerleden uit Nederland naar die Arabische landen en dan met Piet Nak ook erbij. Maar ja, er was geen minister of Kamerlid in Nederland die zich aan dit controversiële conflict de vingers wilde branden dus wat gebeurde er: Rabbani viel terug op het tweede echelon. Dat waren jongerenorganisaties, studentenorganisaties en zo kwamen ze dus ook bij de ASVA terecht.”
Wanneer we in het kort de feiten op een rij zetten is het bovenstaande op zijn minst dubieus te noemen. Met name Hendriks versie van de totstandkoming van de Midden-Oostenreis. Hendriks verdraait of verzwijgt enkele belangrijke feiten. Namelijk dat hij Rabbani al eerder bij een belangrijke bijeenkomst had leren kennen, tijdens de oprichting van het NPK op 14 mei 1969. Pas enkele dagen later begon de Maagdenhuisbezetting die van 16 tot 21 mei 1969 duurde.
Mogelijk is dit tekenend voor de Nederlandse Midden-Oostendeskundige die al jaren als een paling in een emmer snot door het Palestijns-Israëlische probleem glibbert. Hij is een levendig voorbeeld van de mensen die zeer lucratief “Het pad van Marx naar Allah” bewandelen. Eerst steunde hij jarenlang het marxistische regiem van de PLO, om ze vervolgens tijdens de Palestijnse verkiezingen in Rammalah in januari 2006 te beschuldigden van corruptie en vriendjespolitiek (iets dat al jaren een publiek geheim was). Vervolgens omschrijft hij de radicale fundamentalistische Hamas als een organisatie met “een schone en eerlijke reputatie. Op 11 januari 2009 verscheen hij met een aantal van zijn deskundige kameraden in een kleurrijke documentaire van de Nederlandse Islamitische Omroep (NIO). Ook hier glibberde hij weer om de misdadige praktijken van Hamas heen. “Hamas is geen terreurorganisatie, Hamas gebruikt weliswaar terroristische middelen ehhh, evenals de meeste bevrijdingsbewegingen gedaan hebben, zoals in Algerije (…)”.
http://www.hetvrijevolk.com/index.php?pagina=13119