admin
12 februari 2007, 11:22
http://img230.imageshack.us/img230/9932/chess6.jpg(Opinio.nu) Álvaro Vargas Llosa - Tot op heden heeft het romantische beeld van ‘Che’ Guevara, icoon van de Cubaanse en andere revoluties, en wapenbroeder van Fidel Castro, standgehouden. Zelfs in recente films figureert hij nog als idealistische jongeling die strijdt tegen onrecht en armoede. Maar de werkelijkheid was heel wat minder rooskleurig, schrijft Alvaro Vargas Llosa: Che was een brute man met een meedogenloze en totalitaire geest. En hij heeft méér gedaan om de Cubanen in armoede te storten dan wie dan ook.
Ernesto ‘Che’ Guevara, die zo veel – of was het weinig – deed om het kapitalisme te vernietigen, is tegenwoordig een typisch kapitalistisch merk. Zijn beeltenis versiert bierkroezen, capuchons, aanstekers, baseballpetjes, tankdoppen, modieuze handtassen, ribfluwelen broeken, kruidentheeverpakkingen, en natuurlijk T-shirts. De alom bekende foto van Guevara, genomen door Alberto Korda in het begin van de Cubaanse revolutie, vereeuwigde de socialistische hartenbreker op een manier die hem bijna veertig jaar na zijn dood nog steeds een revolutionaire – of is het kapitalistische – icoon-status verleent.
Talloze bedrijven verkopen Che-producten, waaronder een internetwinkel die ‘in al uw revolutionaire behoeften voorziet’. De metamorfose van Che Guevara tot een kapitalistisch marketinginstrument is geen recent verschijnsel, maar het merk heeft onlangs wel een wederopleving gekend, die des te opmerkelijker is omdat alles waar Guevara ooit voor heeft gestaan, al jaren geleden is ingestort. De Che-revival begon tien jaar geleden, in 1997, dertig jaar na zijn dood, toen vijf biografieën uitkwamen, maar ze is ook grotendeels toe te schrijven aan de film The Motorcycle Diaries, geproduceerd door Robert Redford en geregisseerd door Walter Salles. (Het is een van de drie grote films die de afgelopen vier jaar over Che gemaakt zijn; de andere twee waren van de hand van Josh Evans en Steven Soderbergh.) Fraai in beeld gebracht tegen een achtergrond van landschappen die kennelijk aan de kapitalistische vervuiling ontsnapt zijn, toont de film de persoonlijke ontwikkeling van een jongeman op reis; tijdens die reis wordt zijn ontluikende geweten geconfronteerd met de sociale en economische uitbuiting van het Zuid-Amerika van de jaren vijftig. Hiermee werd de basis gelegd voor een heruitvinding, in Nouvelle Vague-stijl, van de man die Sartre ooit ‘de meest complete mens van onze tijd’ heeft genoemd.
De discipelen van een cultus zijn meestal niet op de hoogte van het werkelijke levensverhaal van hun held. (Vele Rastafari’s zouden ook niets van Haile Selassie moeten hebben als ze enig idee hadden wie hij werkelijk was.) Het is dus niet verrassend dat Guevara’s tegenwoordige post-communistische bewonderaars zichzelf voor de gek houden door zich aan een mythe vast te klampen. Velen hebben Guevara’s beeltenis gebruikt als een baken van gerechtigheid en rebellie tegen machtsmisbruik: in Libanon werd Che’s portret meegedragen door anti-Syrische demonstranten bij de begrafenis van voormalig premier Rafiq Hariri; de voetballers Thierry Henry en Diego Maradonna verschenen met respectievelijk een rood-zwart Che-shirt en een Che-tatoeage in het openbaar; en bij de Oscar-uitreiking van 2005 droeg gitarist Carlos Santana zowel een Che-shirt als een kruisbeeld; José Luis Montoya, een Mexicaanse politieofficier die de drugsmisdaad bestrijdt, draagt een Che-zweetband omdat hij meent daaraan kracht te ontlenen; in het vluchtelingenkamp Deisheh op de Westelijke Jordaanoever is een muur waarop de Intifada in ere wordt gehouden, behangen met Che-posters. Uitingen van de nieuwe Che-cultus zijn overal. Opnieuw moet deze mythe mensen enthousiasmeren die in werkelijkheid het tegenovergestelde van Che Guevara representeren.
Nu is niemand volledig zonder goede eigenschappen. Dankzij zijn openhartigheid heeft Che een uitvoerig geschreven verslag nagelaten van zijn wreedheden, maar het was een halfslachtige openhartigheid, want de allerakeligste incidenten heeft hij weggelaten. Dankzij zijn moed – door Castro beschreven als ‘zijn manier om de moeilijkste en gevaarlijkste dingen te doen op de moeilijkste en gevaarlijkste momenten’ – ontsnapte hij door zijn vroege dood aan de volle verantwoordelijkheid voor de Cubaanse hel. Mythes kunnen evenveel zeggen over een tijdperk als de waarheid. Dankzij Che’s getuigenissen van zijn gedachten en daden, en ook door zijn voortijdige dood, kunnen we nu vrij goed weten hoezeer zo veel van zijn tijdgenoten voor de gek zijn gehouden.
Guevara mag dan misschien graag met zijn eigen dood hebben geflirt, hij deed dat nog liever met de dood van anderen. In april 1967 vatte hij zijn uit ervaring gevormde ideeën over gerechtigheid samen als: “Haat als element van de strijd; onwankelbare haat voor de vijand, die een mens zijn natuurlijke grenzen doet verleggen, waardoor hij een effectieve, gewelddadige, doelgerichte en koelbloedige moordmachine wordt.” Ook zijn eerdere geschriften zijn doorspekt met dit soort retorische en ideologische geweld. Hoewel zijn voormalige vriendin Chichina Ferreyra betwijfelt of de oorspronkelijke versie van het dagboek van zijn motorfietsreis inderdaad de opmerking bevat dat hij ‘zijn neusvleugels voelt verwijden door de bijtende geur van kruit en het bloed van de vijand’, riep Guevara in elk geval op zeer jonge leeftijd zijn vriend Alberto Granada het volgende toe: “Revolutie zonder een schot te lossen? Je bent gek!”
De jonge bohemien kon geen onderscheid maken tussen de luchtigheid van de dood als schouwspel en de tragedie van de slachtoffers van een revolutie. In 1954 was hij getuige van de val van de revolutionaire regering van Jacobo Arbenz in Guatemala, die hij geprobeerd had te verdedigen tegen een door de VS gesteunde staatsgreep. In een brief aan zijn moeder schreef hij: “Het was allemaal heel grappig, dat met die bommen, toespraken en al het andere vertier, dat de eentonigheid van mijn leven doorbrak.” Hij was van mening dat Arbenz ten val was gekomen omdat hij had nagelaten zijn vijanden terecht te stellen. In een eerdere brief aan zijn ex-vriendin Tita Infante schreef hij: “Als er een paar executies waren geweest, was de regering in staat geweest terug te slaan.” Het is dan ook niet verrassend dat Guevara tijdens de gewapende strijd tegen
Batista op Cuba, en ook na de triomfantelijke intocht van de revolutionairen in Havana, honderden mensen heeft vermoord of de leiding heeft gehad bij standrechtelijke executies – zowel van echte en vermeende vijanden als van degenen die zich op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevonden.
In januari 1957, zo blijkt uit zijn dagboek over zijn clandestiene rebellenverblijf in het Sierra Maestra-gebergte in Zuidoost-Cuba, schoot Guevara Eutimio Guerra dood, omdat hij hem verdacht van het doorspelen van informatie aan de vijand: “Ik maakte een einde aan het probleem met een .32-kaliber pistool tegen de rechterkant van zijn hoofd (…). Zijn bezittingen waren toen van mij.” Later schoot hij Aristidio neer, een boer die weigerde met de doorreizende rebellen mee te gaan. Hij vroeg zich nog wel af of dit specifieke slachtoffer ‘wel schuldig genoeg was om de dood te verdienen’, maar hij had geen problemen met de executie van Echevarría, de broer van een kameraad, vanwege niet nader aangeduide misdrijven: “Hij moest boeten.” Bij andere gelegenheden organiseerde hij schijnexecuties, bij wijze van psychologische marteling.
Maar de ‘koelbloedige moordmachine’ toonde pas werkelijk waartoe hij in staat was toen Castro hem, direct na de val van het Batista-regime, de leiding gaf over de gevangenis La Cabaña. (Castro had een klinisch trefzeker oog voor het selecteren van de juiste persoon voor het beschermen van de revolutie tegen ‘infecties’.) San Carlos de la Cabaña was ooit een stenen fort dat Havana in de achttiende eeuw moest beschermen tegen Engelse piraten; later werd het een militaire kazerne. In een stijl die veel doet denken aan die van Stalins KGB-chef Lavrenti Beria, speelde Guevara in de eerste helft van 1959 de hoofdrol in een van de meest duistere periodes van de revolutie. José Villasuso, jurist en hoogleraar aan de Universidad Interamericana de Bayamón in Puerto Rico, behoorde tot de organisatie die belast was met de processen in La Cabaña. Hij vertelde mij: “Che had de leiding over de ‘Comisión Depuradora’, de ‘zuiveringscommissie’. Che’s richtlijn was dat we met overtuiging moesten handelen, wat betekende dat het allemaal moordenaars waren en dat de revolutionaire manier om met hen af te rekenen onverbiddelijk was. Executies vonden plaats van maandag tot en met vrijdag, in het holst van de nacht, direct nadat het vonnis automatisch was bevestigd door het hof van beroep.”
Javier Arzuaga, een Baskische kapelaan die geestelijke bijstand verleende aan tientallen ter dood veroordeelden en die persoonlijk getuige is geweest van tientallen executies, sprak onlangs met mij vanuit zijn woning in Puerto Rico. De nu 76-jarige voormalige katholieke priester herinnert zich dat ‘er ongeveer achthonderd gevangenen waren opgesloten in een ruimte die geschikt was voor niet meer dan driehonderd: voormalige soldaten en politiemannen van het Batista-regime, enkele journalisten, een paar zakenlieden en kooplieden. Het revolutionaire tribunaal was gerekruteerd uit de militie. Che Guevara zat het hof van beroep voor. Hij heeft nooit een vonnis vernietigd. Ik heb vele malen bij Che voor gevangenen gepleit. Ik herinner me speciaal het geval van Ariel Lima, een heel jonge vent. Che was onvermurwbaar, evenals Fidel, die ik bezocht.” Che’s machtshonger uitte zich niet alleen in moord. Gepaard met zijn reislust – een soort protest tegen de beperkingen van de natiestaat – had Che een grote drang om anderen tot slavernij te dwingen. In elk stadium van zijn volwassen leven kwam zijn grootheidswaan tot uiting in een roofzuchtige drang zich van het leven en de bezittingen van anderen meester te maken.
In 1958, nadat hij de stad Sancti Spiritus in centraal Cuba had ingenomen, probeerde Guevara tevergeefs een soort sharia in te voeren, waarin het contact tussen mannen en vrouwen geregeld werd, alsmede het gebruik van alcohol en het informele gokcircuit. Dit puritanisme had weinig van doen met zijn eigen levensstijl. Hij beval zijn manschappen ook banken te overvallen, een besluit dat hij rechtvaardigde in een brief in november van dat jaar aan Enrique Oltuski, een ondergeschikte: “De strijdende massa’s stemmen in met het beroven van banken omdat daar geen cent van henzelf op staat.” Deze opvatting van de revolutie als een vergunning tot het naar eigen goeddunken herverdelen van bezittingen, leidde ertoe dat deze marxistische puritein na de revolutie het landhuis van een emigrant overnam.
De drang om anderen van hun bezit en hun land te ontdoen was een centraal element van Guevara’s machtspolitiek. In zijn memoires meldt de Egyptische leider Gamal abdel Nasser dat Guevara hem vroeg hoe veel mensen Egypte hadden verlaten ten gevolge van de landhervorming. Toen Nasser antwoordde dat niemand het land had verlaten, reageerde Guevara boos: hij stelde dat de maatstaf voor de grondigheid van een omwenteling het aantal mensen is ‘die voelen dat er voor hen geen plaats is in de nieuwe samenleving’. Deze roofzucht bereikte in 1965 een hoogtepunt toen hij begon te praten over de ‘Nieuwe Mens’, die hij en zijn revolutie zouden scheppen.
Che’s obsessie met collectivistische controle bracht hem ertoe mee te werken aan de formatie van een veiligheidsapparaat dat bedoeld was om zeseneenhalf miljoen Cubanen onder de duim te houden. Begin 1959 vond een reeks geheime bijeenkomsten in Tarará plaats, in de buurt van Havana, waar Che zich tijdelijk had teruggetrokken om te herstellen van een ziekte. Daar werd door de hoogste leiders, onder wie Castro, de Cubaanse politiestaat ontworpen. Ramiro Valdés, Che’s ondergeschikte tijdens de guerrillaoorlog, werd belast met de leiding van ‘G-2’, een organisatie die op dezelfde leest werd geschoeid als de bolsjewistische terreurpolitie Tsjeka. Guevara nam zelf de leiding op zich van G-6, dat de ideologische indoctrinatie van de strijdkrachten als taak had. De door de Amerikanen gesteunde invasie in de Varkensbaai op Cuba, in april 1961, werd een perfecte gelegenheid om de politiestaat te consolideren. Tienduizenden Cubanen werden opgepakt, gevolgd door een nieuwe reeks executies. Zoals Che Guevara zei tegen sovjetambassadeur Sergei Kudriavtsev: “De contrarevolutionairen zullen nooit meer de kop opsteken.”
‘Contrarevolutionair’ was de term voor eenieder die van de dogmatische lijn afweek, het communistische synoniem voor ‘ketter’. Een van de middelen om ideologische macht uit te oefenen en dissidenten te onderdrukken was het concentratiekamp. De Spaanse generaal Valeranio Weyler, de kapitein-generaal van Cuba aan het einde van de negentiende eeuw, is waarschijnlijk de eerste in de geschiedenis die de term ‘concentratie’ gebruikte voor het achter prikkeldraad en hekken opsluiten van grote aantallen potentiële tegenstanders – in dat geval aanhangers van de Cubaanse onafhankelijkheidsbeweging. Hoe passend was het dat Cuba’s revolutionairen van meer dan een halve eeuw later deze traditie van eigen bodem weer oppakten! Het eerste dwangarbeiderskamp, Guanahacabibes, werd eind 1960 opgezet in West-Cuba. Che legde uit wat het nut is van deze methode van opsluiting: “[We] sturen alleen twijfelgevallen naar Guanahacabibes, wanneer we niet zeker weten of ze de gevangenis in moeten (…), lieden die ernstige of minder ernstige misdaden tegen de revolutionaire moraal hebben begaan (…). Het is dwangarbeid, geen inhumane arbeid; alleen de arbeidsomstandigheden zijn zwaar.”
Dit kamp was de voorloper van wat uiteindelijk, vanaf 1965 in de provincie Camagüey, zou uitlopen op systematische opsluiting van dissidenten, homoseksuelen, aidsslachtoffers, katholieken, Jehovah’s getuigen, Afro-Cubaanse priesters en ander ‘tuig’, onder de vlag van de ‘Militaire Eenheden voor Productiehulp’. Met het pistool op de borst in bussen en vrachtwagens bijeengedreven, werden de ‘onaangepasten’ afgevoerd naar concentratiekampen volgens het model van Guanahacabibes. Sommigen zouden nooit terugkeren; anderen werden verkracht, geslagen of verminkt.
Het tijdschrift Time was dus niet helemaal nauwkeurig toen het in augustus 1960 de revolutionaire arbeidsdeling beschreef, met Che Guevara als het ‘brein’, Fidel Castro als het ‘hart’ en Raúl Castro als de ‘vuist’. Maar deze perceptie weerspiegelde wel Guevara’s cruciale rol in het ombouwen van Cuba tot een bolwerk van totalitarisme.
Door zijn fanatisme was Che de steunpilaar van de ‘sovjetisering’ van de revolutie, die zich herhaaldelijk had laten voorstaan op haar onafhankelijke karakter. Al spoedig nadat de de barbudos, de ‘bebaarden’, aan de macht waren gekomen, nam Guevara deel aan de onderhandelingen met Anastas Mikoyan, de vice-premier van de Sovjet-Unie, bij diens bezoek aan Cuba. En aan Che werd eind 1960 de missie naar Moskou toevertrouwd, om de Sovjet-Cubaanse onderhandelingen voort te zetten. (Het was een onderdeel van een lange reis, waarbij het Noord-Korea van Kim Il Sung ‘de meeste’ indruk op hem maakte.) Guevara’s tweede reis naar Rusland, in augustus 1962, was nog belangrijker, omdat hierbij een overeenkomst werd bezegeld die Cuba tot een nucleair bruggenhoofd van de Sovjet-Unie maakte. In Jalta ontmoette hij Chroesjtsjov, om er de details vast te leggen van een operatie die al aan de gang was, en die inhield dat op het eiland 42 sovjetraketten en lanceerinrichtingen zouden worden geplaatst, waarvan de helft met kernkoppen, alsmede zo’n 42.000 militairen. Nadat Che zijn sovjetbondgenoten had gewezen op het gevaar dat de VS achter dit plan zouden kunnen komen, kreeg hij de verzekering dat de sovjetmarine dan zou interveniëren – met andere woorden: dat Moskou tot oorlog bereid was. Volgens Philippe Gavi’s biografie van Guevara pochte de revolutionair dat ‘dit land bereid is alles te riskeren in een atoomoorlog met onvoorstelbare verwoestingen, om een principe te verdedigen’. Na afloop van de Cubaanse rakettencrisis vertelde Guevara aan een Brits communistisch dagblad: “Als die raketten daar waren gebleven, zouden we ze allemaal gebruikt hebben en ze op het hart van de VS hebben gericht, New York inbegrepen, in onze verdediging tegen agressie.”
Tijdens de laatste jaren van zijn leven distantieerde Guevara zich van de Sovjet-Unie, omdat hij vond dat Moskou op ideologisch en diplomatiek vlak te veel concessies deed – anders dan het maoïstische China, dat hij ging zien als een paradijs van orthodoxie. Zijn laatste aanval op Moskou lanceerde hij in februari 1965, op een internationale conferentie in Algiers, waar hij de sovjets beschuldigde van het respecteren van de ‘wet van de waarde’, oftewel het kapitalisme. Zijn breuk met de sovjets was dus geen schreeuw om onafhankelijkheid. Veeleer was hij, zoals ook de Albanese politieke leider Enver Hoxha, louter uit op totale onderwerping van de werkelijkheid aan een blinde ideologische orthodoxie.
De grote revolutionair kreeg de kans om zijn economische visie als idee van sociale gerechtigheid in praktijk te brengen toen hij eind 1959 hoofd werd van de Nationale Bank van Cuba en van de Afdeling Industrie van het Nationale Instituut van Landbouwhervorming en, vanaf begin 1961, als minister van Industrie. Tijdens zijn bewind kreeg de Cubaanse economie de vrijwel totale ineenstorting van de suikerproductie te verwerken, mislukte de industrialisatie en werden voor het eerst rantsoenen geïntroduceerd – in wat ooit een van de vier succesvolste Latijns-Amerikaanse economieën was. Dit succes dateerde al van vóór de dictatuur van Batista. Zijn ambtsperiode aan het hoofd van de Nationale Bank, waar hij gebruik maakte van rekeningen met de voorgedrukte ondertekening ‘Che’, werd door zijn plaatsvervanger, Ernesto Betancourt, als volgt samengevat: “Hij was onbekend met de meest elementaire economische principes.” Guevara’s visie op de wereldeconomie kwamen op de meest roemruchte wijze tot uitdrukking op een conferentie 1961 in Uruguay, waar hij ‘zonder de minste vrees’ een groei van tien procent per jaar voor Cuba voorspelde, en tevens verkondigde dat het ‘Cubaanse inkomen per hoofd van de bevolking in 1980 groter [zou] zijn dan dat van de VS’. In werkelijkheid moesten de Cubanen het in 1997, dus dertig jaar na zijn dood, doen met een rantsoen van vijf pond rijst en één pond bonen per maand, tweemaal per jaar 120 gram vlees, 120 gram sojapasta per week en vier eieren per maand.
Bij de landhervormingen in Cuba werd wel land van de rijken afgenomen, maar dat land kwam vervolgens in handen van bureaucraten, niet van de boeren. (Het decreet werd bij Che thuis geschreven.) Onder het motto van ‘diversificatie’ werd het landbouwareaal gereduceerd en werd mankracht ingezet voor andere activiteiten. Het gevolg was dat de oogstopbrengst tussen 1961 en 1963 werd gehalveerd. Was dit offer nodig voor de ontwikkeling van de Cubaanse industrie? Helaas had Cuba zelf geen grondstoffen voor zware industrie, en, als gevolg van een revolutionaire herverdeling, ook geen geld voor de aanschaf daarvan – of zelfs maar van de basisbenodigdheden ervoor. In 1961 moest Guevara een pijnlijke verklaring aan de werkers in zijn kantoor geven: “Onze technische kameraden in de bedrijven hebben een tandpasta geproduceerd (…) die even goed is als vroeger; hij reinigt even goed, maar na een tijdje versteent hij.” Tegen 1963 werd alle hoop op industrialisatie op Cuba opgegeven, en men accepteerde de rol van koloniale suikerleverancier aan het sovjetblok, in ruil voor olie voor eigen gebruik en voor de doorverkoop aan andere landen. In de dertig jaar daarna kon Cuba overleven dankzij sovjet-subsidies van in totaal tussen de 65 en de 100 miljard dollar.
Al heeft hij dan gefaald als held van de sociale gerechtigheid, verdient Guevara dan misschien een plaats in de geschiedenis als een genie van de guerrillaoorlog? Onmiddellijk na de overwinning van de revolutie organiseerde Guevara guerrillalegers in Nicaragua, de Dominicaanse Republiek, Panama en Haïti – alle werden vernietigend verslagen. In 1964 stuurde hij de Argentijnse revolutionair Jorge Ricardo Masetti de dood in door hem te overreden om vanuit Bolivia een aanval op zijn geboorteland te lanceren, kort nadat de representatieve democratie in Argentinië weer in ere was hersteld.
Bijzonder rampzalig was zijn Congo-expeditie in 1965. Guevara koos de zijde van twee rebellen – Pierre Mulele in het westen en Laurent Kabila in het oosten – tegen het miserabele Congolese bewind, dat ondersteund werd door de VS en door Zuidafrikaanse en verbannen Cubaanse huurlingen. Mulele werd verdreven uit Stanleyville, dat hij eerder had ingenomen. Tijdens zijn terreurbewind heeft Mulele, zoals beschreven door V.S. Naipaul, iedereen vermoord die kon lezen en een stropdas droeg. Guevara’s andere bondgenoot, Laurent Kabila, was toen alleen maar lui en corrupt. Maar in de jaren negentig zou de wereld ondervinden dat ook Kabila een moordmachine was. In elk geval besteedde Guevara het grootste deel van het jaar 1965 aan het ondersteunen van de rebellen in het oosten, voordat hij roemloos de aftocht moest blazen. Spoedig daarna kwam Mobutu aan de macht en vestigde een tirannie die het tientallen jaren zou uithouden. Ook in Latijns-Amerika, van Argentinië tot Peru, hadden door Che geïnspireerde opstanden als enig praktisch resultaat een jarenlange verharding van gewelddadig militarisme.
In Bolivia werd Che wederom, en voor de laatste maal, verslagen. Hij beoordeelde de plaatselijke situatie verkeerd. Een aantal jaren ervoor had er een landbouwhervorming plaatsgevonden; de regering respecteerde vele van de door de boeren opgerichte organisaties; de militairen hadden, ondanks hun nationalisme, goede banden met de Verenigde Staten. “De boerenmassa’s helpen ons helemaal niet,” was Guevara’s treurige conclusie in zijn Boliviaanse dagboek. Erger nog, Mario Monche, de plaatselijke communistische leider, durfde een guerrillaoorlog niet aan, na een vernederende nederlaag in de verkiezingen. Hij leidde Guevara naar een positie in het zuidoosten van het land, waar hij moeilijk kon ontsnappen. Zijn gevangenname bij het Yuro-ravijn, kort na een ontmoeting met de Franse intellectueel Régis Debray en de Argentijnse schilder Ciro Bustos – die beiden werden gearresteerd toen zij Che’s kamp verlieten – was net als de hele Boliviaanse expeditie een amateuristische aangelegenheid. Op 9 oktober 1967 werd Guevara door een Boliviaanse soldaat geëxecuteerd. In 1997 werd zijn stoffelijk overschot ontdekt bij een startbaan van het Boliviaanse vliegveld Vallegrande, na een perfect getimede onthulling van een gepensioneerde Boliviaanse generaal. Dit gedenkjaar vestigde de aandacht nog eens op Freddy Alborta’s beroemde foto van Che’s lijk, dat in verkort perspectief en uitgestrekt op een tafel, romantisch dood ligt te zijn, als een Christus op een schilderij van Mantegna.
Álvaro Vargas Llosa (Peru, 1966), de zoon van schrijver Mario Vargas Llosa, is historicus, politicoloog en essayist. Hij is directeur van het Center on Global Prosperity van het Independent Institute, in Oakland, Californië, dat in 2006 zijn boek The Che Guevara Myth and the Future of Liberty publiceerde.
Bron: Opinio (http://opinio.nu/)
Ernesto ‘Che’ Guevara, die zo veel – of was het weinig – deed om het kapitalisme te vernietigen, is tegenwoordig een typisch kapitalistisch merk. Zijn beeltenis versiert bierkroezen, capuchons, aanstekers, baseballpetjes, tankdoppen, modieuze handtassen, ribfluwelen broeken, kruidentheeverpakkingen, en natuurlijk T-shirts. De alom bekende foto van Guevara, genomen door Alberto Korda in het begin van de Cubaanse revolutie, vereeuwigde de socialistische hartenbreker op een manier die hem bijna veertig jaar na zijn dood nog steeds een revolutionaire – of is het kapitalistische – icoon-status verleent.
Talloze bedrijven verkopen Che-producten, waaronder een internetwinkel die ‘in al uw revolutionaire behoeften voorziet’. De metamorfose van Che Guevara tot een kapitalistisch marketinginstrument is geen recent verschijnsel, maar het merk heeft onlangs wel een wederopleving gekend, die des te opmerkelijker is omdat alles waar Guevara ooit voor heeft gestaan, al jaren geleden is ingestort. De Che-revival begon tien jaar geleden, in 1997, dertig jaar na zijn dood, toen vijf biografieën uitkwamen, maar ze is ook grotendeels toe te schrijven aan de film The Motorcycle Diaries, geproduceerd door Robert Redford en geregisseerd door Walter Salles. (Het is een van de drie grote films die de afgelopen vier jaar over Che gemaakt zijn; de andere twee waren van de hand van Josh Evans en Steven Soderbergh.) Fraai in beeld gebracht tegen een achtergrond van landschappen die kennelijk aan de kapitalistische vervuiling ontsnapt zijn, toont de film de persoonlijke ontwikkeling van een jongeman op reis; tijdens die reis wordt zijn ontluikende geweten geconfronteerd met de sociale en economische uitbuiting van het Zuid-Amerika van de jaren vijftig. Hiermee werd de basis gelegd voor een heruitvinding, in Nouvelle Vague-stijl, van de man die Sartre ooit ‘de meest complete mens van onze tijd’ heeft genoemd.
De discipelen van een cultus zijn meestal niet op de hoogte van het werkelijke levensverhaal van hun held. (Vele Rastafari’s zouden ook niets van Haile Selassie moeten hebben als ze enig idee hadden wie hij werkelijk was.) Het is dus niet verrassend dat Guevara’s tegenwoordige post-communistische bewonderaars zichzelf voor de gek houden door zich aan een mythe vast te klampen. Velen hebben Guevara’s beeltenis gebruikt als een baken van gerechtigheid en rebellie tegen machtsmisbruik: in Libanon werd Che’s portret meegedragen door anti-Syrische demonstranten bij de begrafenis van voormalig premier Rafiq Hariri; de voetballers Thierry Henry en Diego Maradonna verschenen met respectievelijk een rood-zwart Che-shirt en een Che-tatoeage in het openbaar; en bij de Oscar-uitreiking van 2005 droeg gitarist Carlos Santana zowel een Che-shirt als een kruisbeeld; José Luis Montoya, een Mexicaanse politieofficier die de drugsmisdaad bestrijdt, draagt een Che-zweetband omdat hij meent daaraan kracht te ontlenen; in het vluchtelingenkamp Deisheh op de Westelijke Jordaanoever is een muur waarop de Intifada in ere wordt gehouden, behangen met Che-posters. Uitingen van de nieuwe Che-cultus zijn overal. Opnieuw moet deze mythe mensen enthousiasmeren die in werkelijkheid het tegenovergestelde van Che Guevara representeren.
Nu is niemand volledig zonder goede eigenschappen. Dankzij zijn openhartigheid heeft Che een uitvoerig geschreven verslag nagelaten van zijn wreedheden, maar het was een halfslachtige openhartigheid, want de allerakeligste incidenten heeft hij weggelaten. Dankzij zijn moed – door Castro beschreven als ‘zijn manier om de moeilijkste en gevaarlijkste dingen te doen op de moeilijkste en gevaarlijkste momenten’ – ontsnapte hij door zijn vroege dood aan de volle verantwoordelijkheid voor de Cubaanse hel. Mythes kunnen evenveel zeggen over een tijdperk als de waarheid. Dankzij Che’s getuigenissen van zijn gedachten en daden, en ook door zijn voortijdige dood, kunnen we nu vrij goed weten hoezeer zo veel van zijn tijdgenoten voor de gek zijn gehouden.
Guevara mag dan misschien graag met zijn eigen dood hebben geflirt, hij deed dat nog liever met de dood van anderen. In april 1967 vatte hij zijn uit ervaring gevormde ideeën over gerechtigheid samen als: “Haat als element van de strijd; onwankelbare haat voor de vijand, die een mens zijn natuurlijke grenzen doet verleggen, waardoor hij een effectieve, gewelddadige, doelgerichte en koelbloedige moordmachine wordt.” Ook zijn eerdere geschriften zijn doorspekt met dit soort retorische en ideologische geweld. Hoewel zijn voormalige vriendin Chichina Ferreyra betwijfelt of de oorspronkelijke versie van het dagboek van zijn motorfietsreis inderdaad de opmerking bevat dat hij ‘zijn neusvleugels voelt verwijden door de bijtende geur van kruit en het bloed van de vijand’, riep Guevara in elk geval op zeer jonge leeftijd zijn vriend Alberto Granada het volgende toe: “Revolutie zonder een schot te lossen? Je bent gek!”
De jonge bohemien kon geen onderscheid maken tussen de luchtigheid van de dood als schouwspel en de tragedie van de slachtoffers van een revolutie. In 1954 was hij getuige van de val van de revolutionaire regering van Jacobo Arbenz in Guatemala, die hij geprobeerd had te verdedigen tegen een door de VS gesteunde staatsgreep. In een brief aan zijn moeder schreef hij: “Het was allemaal heel grappig, dat met die bommen, toespraken en al het andere vertier, dat de eentonigheid van mijn leven doorbrak.” Hij was van mening dat Arbenz ten val was gekomen omdat hij had nagelaten zijn vijanden terecht te stellen. In een eerdere brief aan zijn ex-vriendin Tita Infante schreef hij: “Als er een paar executies waren geweest, was de regering in staat geweest terug te slaan.” Het is dan ook niet verrassend dat Guevara tijdens de gewapende strijd tegen
Batista op Cuba, en ook na de triomfantelijke intocht van de revolutionairen in Havana, honderden mensen heeft vermoord of de leiding heeft gehad bij standrechtelijke executies – zowel van echte en vermeende vijanden als van degenen die zich op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevonden.
In januari 1957, zo blijkt uit zijn dagboek over zijn clandestiene rebellenverblijf in het Sierra Maestra-gebergte in Zuidoost-Cuba, schoot Guevara Eutimio Guerra dood, omdat hij hem verdacht van het doorspelen van informatie aan de vijand: “Ik maakte een einde aan het probleem met een .32-kaliber pistool tegen de rechterkant van zijn hoofd (…). Zijn bezittingen waren toen van mij.” Later schoot hij Aristidio neer, een boer die weigerde met de doorreizende rebellen mee te gaan. Hij vroeg zich nog wel af of dit specifieke slachtoffer ‘wel schuldig genoeg was om de dood te verdienen’, maar hij had geen problemen met de executie van Echevarría, de broer van een kameraad, vanwege niet nader aangeduide misdrijven: “Hij moest boeten.” Bij andere gelegenheden organiseerde hij schijnexecuties, bij wijze van psychologische marteling.
Maar de ‘koelbloedige moordmachine’ toonde pas werkelijk waartoe hij in staat was toen Castro hem, direct na de val van het Batista-regime, de leiding gaf over de gevangenis La Cabaña. (Castro had een klinisch trefzeker oog voor het selecteren van de juiste persoon voor het beschermen van de revolutie tegen ‘infecties’.) San Carlos de la Cabaña was ooit een stenen fort dat Havana in de achttiende eeuw moest beschermen tegen Engelse piraten; later werd het een militaire kazerne. In een stijl die veel doet denken aan die van Stalins KGB-chef Lavrenti Beria, speelde Guevara in de eerste helft van 1959 de hoofdrol in een van de meest duistere periodes van de revolutie. José Villasuso, jurist en hoogleraar aan de Universidad Interamericana de Bayamón in Puerto Rico, behoorde tot de organisatie die belast was met de processen in La Cabaña. Hij vertelde mij: “Che had de leiding over de ‘Comisión Depuradora’, de ‘zuiveringscommissie’. Che’s richtlijn was dat we met overtuiging moesten handelen, wat betekende dat het allemaal moordenaars waren en dat de revolutionaire manier om met hen af te rekenen onverbiddelijk was. Executies vonden plaats van maandag tot en met vrijdag, in het holst van de nacht, direct nadat het vonnis automatisch was bevestigd door het hof van beroep.”
Javier Arzuaga, een Baskische kapelaan die geestelijke bijstand verleende aan tientallen ter dood veroordeelden en die persoonlijk getuige is geweest van tientallen executies, sprak onlangs met mij vanuit zijn woning in Puerto Rico. De nu 76-jarige voormalige katholieke priester herinnert zich dat ‘er ongeveer achthonderd gevangenen waren opgesloten in een ruimte die geschikt was voor niet meer dan driehonderd: voormalige soldaten en politiemannen van het Batista-regime, enkele journalisten, een paar zakenlieden en kooplieden. Het revolutionaire tribunaal was gerekruteerd uit de militie. Che Guevara zat het hof van beroep voor. Hij heeft nooit een vonnis vernietigd. Ik heb vele malen bij Che voor gevangenen gepleit. Ik herinner me speciaal het geval van Ariel Lima, een heel jonge vent. Che was onvermurwbaar, evenals Fidel, die ik bezocht.” Che’s machtshonger uitte zich niet alleen in moord. Gepaard met zijn reislust – een soort protest tegen de beperkingen van de natiestaat – had Che een grote drang om anderen tot slavernij te dwingen. In elk stadium van zijn volwassen leven kwam zijn grootheidswaan tot uiting in een roofzuchtige drang zich van het leven en de bezittingen van anderen meester te maken.
In 1958, nadat hij de stad Sancti Spiritus in centraal Cuba had ingenomen, probeerde Guevara tevergeefs een soort sharia in te voeren, waarin het contact tussen mannen en vrouwen geregeld werd, alsmede het gebruik van alcohol en het informele gokcircuit. Dit puritanisme had weinig van doen met zijn eigen levensstijl. Hij beval zijn manschappen ook banken te overvallen, een besluit dat hij rechtvaardigde in een brief in november van dat jaar aan Enrique Oltuski, een ondergeschikte: “De strijdende massa’s stemmen in met het beroven van banken omdat daar geen cent van henzelf op staat.” Deze opvatting van de revolutie als een vergunning tot het naar eigen goeddunken herverdelen van bezittingen, leidde ertoe dat deze marxistische puritein na de revolutie het landhuis van een emigrant overnam.
De drang om anderen van hun bezit en hun land te ontdoen was een centraal element van Guevara’s machtspolitiek. In zijn memoires meldt de Egyptische leider Gamal abdel Nasser dat Guevara hem vroeg hoe veel mensen Egypte hadden verlaten ten gevolge van de landhervorming. Toen Nasser antwoordde dat niemand het land had verlaten, reageerde Guevara boos: hij stelde dat de maatstaf voor de grondigheid van een omwenteling het aantal mensen is ‘die voelen dat er voor hen geen plaats is in de nieuwe samenleving’. Deze roofzucht bereikte in 1965 een hoogtepunt toen hij begon te praten over de ‘Nieuwe Mens’, die hij en zijn revolutie zouden scheppen.
Che’s obsessie met collectivistische controle bracht hem ertoe mee te werken aan de formatie van een veiligheidsapparaat dat bedoeld was om zeseneenhalf miljoen Cubanen onder de duim te houden. Begin 1959 vond een reeks geheime bijeenkomsten in Tarará plaats, in de buurt van Havana, waar Che zich tijdelijk had teruggetrokken om te herstellen van een ziekte. Daar werd door de hoogste leiders, onder wie Castro, de Cubaanse politiestaat ontworpen. Ramiro Valdés, Che’s ondergeschikte tijdens de guerrillaoorlog, werd belast met de leiding van ‘G-2’, een organisatie die op dezelfde leest werd geschoeid als de bolsjewistische terreurpolitie Tsjeka. Guevara nam zelf de leiding op zich van G-6, dat de ideologische indoctrinatie van de strijdkrachten als taak had. De door de Amerikanen gesteunde invasie in de Varkensbaai op Cuba, in april 1961, werd een perfecte gelegenheid om de politiestaat te consolideren. Tienduizenden Cubanen werden opgepakt, gevolgd door een nieuwe reeks executies. Zoals Che Guevara zei tegen sovjetambassadeur Sergei Kudriavtsev: “De contrarevolutionairen zullen nooit meer de kop opsteken.”
‘Contrarevolutionair’ was de term voor eenieder die van de dogmatische lijn afweek, het communistische synoniem voor ‘ketter’. Een van de middelen om ideologische macht uit te oefenen en dissidenten te onderdrukken was het concentratiekamp. De Spaanse generaal Valeranio Weyler, de kapitein-generaal van Cuba aan het einde van de negentiende eeuw, is waarschijnlijk de eerste in de geschiedenis die de term ‘concentratie’ gebruikte voor het achter prikkeldraad en hekken opsluiten van grote aantallen potentiële tegenstanders – in dat geval aanhangers van de Cubaanse onafhankelijkheidsbeweging. Hoe passend was het dat Cuba’s revolutionairen van meer dan een halve eeuw later deze traditie van eigen bodem weer oppakten! Het eerste dwangarbeiderskamp, Guanahacabibes, werd eind 1960 opgezet in West-Cuba. Che legde uit wat het nut is van deze methode van opsluiting: “[We] sturen alleen twijfelgevallen naar Guanahacabibes, wanneer we niet zeker weten of ze de gevangenis in moeten (…), lieden die ernstige of minder ernstige misdaden tegen de revolutionaire moraal hebben begaan (…). Het is dwangarbeid, geen inhumane arbeid; alleen de arbeidsomstandigheden zijn zwaar.”
Dit kamp was de voorloper van wat uiteindelijk, vanaf 1965 in de provincie Camagüey, zou uitlopen op systematische opsluiting van dissidenten, homoseksuelen, aidsslachtoffers, katholieken, Jehovah’s getuigen, Afro-Cubaanse priesters en ander ‘tuig’, onder de vlag van de ‘Militaire Eenheden voor Productiehulp’. Met het pistool op de borst in bussen en vrachtwagens bijeengedreven, werden de ‘onaangepasten’ afgevoerd naar concentratiekampen volgens het model van Guanahacabibes. Sommigen zouden nooit terugkeren; anderen werden verkracht, geslagen of verminkt.
Het tijdschrift Time was dus niet helemaal nauwkeurig toen het in augustus 1960 de revolutionaire arbeidsdeling beschreef, met Che Guevara als het ‘brein’, Fidel Castro als het ‘hart’ en Raúl Castro als de ‘vuist’. Maar deze perceptie weerspiegelde wel Guevara’s cruciale rol in het ombouwen van Cuba tot een bolwerk van totalitarisme.
Door zijn fanatisme was Che de steunpilaar van de ‘sovjetisering’ van de revolutie, die zich herhaaldelijk had laten voorstaan op haar onafhankelijke karakter. Al spoedig nadat de de barbudos, de ‘bebaarden’, aan de macht waren gekomen, nam Guevara deel aan de onderhandelingen met Anastas Mikoyan, de vice-premier van de Sovjet-Unie, bij diens bezoek aan Cuba. En aan Che werd eind 1960 de missie naar Moskou toevertrouwd, om de Sovjet-Cubaanse onderhandelingen voort te zetten. (Het was een onderdeel van een lange reis, waarbij het Noord-Korea van Kim Il Sung ‘de meeste’ indruk op hem maakte.) Guevara’s tweede reis naar Rusland, in augustus 1962, was nog belangrijker, omdat hierbij een overeenkomst werd bezegeld die Cuba tot een nucleair bruggenhoofd van de Sovjet-Unie maakte. In Jalta ontmoette hij Chroesjtsjov, om er de details vast te leggen van een operatie die al aan de gang was, en die inhield dat op het eiland 42 sovjetraketten en lanceerinrichtingen zouden worden geplaatst, waarvan de helft met kernkoppen, alsmede zo’n 42.000 militairen. Nadat Che zijn sovjetbondgenoten had gewezen op het gevaar dat de VS achter dit plan zouden kunnen komen, kreeg hij de verzekering dat de sovjetmarine dan zou interveniëren – met andere woorden: dat Moskou tot oorlog bereid was. Volgens Philippe Gavi’s biografie van Guevara pochte de revolutionair dat ‘dit land bereid is alles te riskeren in een atoomoorlog met onvoorstelbare verwoestingen, om een principe te verdedigen’. Na afloop van de Cubaanse rakettencrisis vertelde Guevara aan een Brits communistisch dagblad: “Als die raketten daar waren gebleven, zouden we ze allemaal gebruikt hebben en ze op het hart van de VS hebben gericht, New York inbegrepen, in onze verdediging tegen agressie.”
Tijdens de laatste jaren van zijn leven distantieerde Guevara zich van de Sovjet-Unie, omdat hij vond dat Moskou op ideologisch en diplomatiek vlak te veel concessies deed – anders dan het maoïstische China, dat hij ging zien als een paradijs van orthodoxie. Zijn laatste aanval op Moskou lanceerde hij in februari 1965, op een internationale conferentie in Algiers, waar hij de sovjets beschuldigde van het respecteren van de ‘wet van de waarde’, oftewel het kapitalisme. Zijn breuk met de sovjets was dus geen schreeuw om onafhankelijkheid. Veeleer was hij, zoals ook de Albanese politieke leider Enver Hoxha, louter uit op totale onderwerping van de werkelijkheid aan een blinde ideologische orthodoxie.
De grote revolutionair kreeg de kans om zijn economische visie als idee van sociale gerechtigheid in praktijk te brengen toen hij eind 1959 hoofd werd van de Nationale Bank van Cuba en van de Afdeling Industrie van het Nationale Instituut van Landbouwhervorming en, vanaf begin 1961, als minister van Industrie. Tijdens zijn bewind kreeg de Cubaanse economie de vrijwel totale ineenstorting van de suikerproductie te verwerken, mislukte de industrialisatie en werden voor het eerst rantsoenen geïntroduceerd – in wat ooit een van de vier succesvolste Latijns-Amerikaanse economieën was. Dit succes dateerde al van vóór de dictatuur van Batista. Zijn ambtsperiode aan het hoofd van de Nationale Bank, waar hij gebruik maakte van rekeningen met de voorgedrukte ondertekening ‘Che’, werd door zijn plaatsvervanger, Ernesto Betancourt, als volgt samengevat: “Hij was onbekend met de meest elementaire economische principes.” Guevara’s visie op de wereldeconomie kwamen op de meest roemruchte wijze tot uitdrukking op een conferentie 1961 in Uruguay, waar hij ‘zonder de minste vrees’ een groei van tien procent per jaar voor Cuba voorspelde, en tevens verkondigde dat het ‘Cubaanse inkomen per hoofd van de bevolking in 1980 groter [zou] zijn dan dat van de VS’. In werkelijkheid moesten de Cubanen het in 1997, dus dertig jaar na zijn dood, doen met een rantsoen van vijf pond rijst en één pond bonen per maand, tweemaal per jaar 120 gram vlees, 120 gram sojapasta per week en vier eieren per maand.
Bij de landhervormingen in Cuba werd wel land van de rijken afgenomen, maar dat land kwam vervolgens in handen van bureaucraten, niet van de boeren. (Het decreet werd bij Che thuis geschreven.) Onder het motto van ‘diversificatie’ werd het landbouwareaal gereduceerd en werd mankracht ingezet voor andere activiteiten. Het gevolg was dat de oogstopbrengst tussen 1961 en 1963 werd gehalveerd. Was dit offer nodig voor de ontwikkeling van de Cubaanse industrie? Helaas had Cuba zelf geen grondstoffen voor zware industrie, en, als gevolg van een revolutionaire herverdeling, ook geen geld voor de aanschaf daarvan – of zelfs maar van de basisbenodigdheden ervoor. In 1961 moest Guevara een pijnlijke verklaring aan de werkers in zijn kantoor geven: “Onze technische kameraden in de bedrijven hebben een tandpasta geproduceerd (…) die even goed is als vroeger; hij reinigt even goed, maar na een tijdje versteent hij.” Tegen 1963 werd alle hoop op industrialisatie op Cuba opgegeven, en men accepteerde de rol van koloniale suikerleverancier aan het sovjetblok, in ruil voor olie voor eigen gebruik en voor de doorverkoop aan andere landen. In de dertig jaar daarna kon Cuba overleven dankzij sovjet-subsidies van in totaal tussen de 65 en de 100 miljard dollar.
Al heeft hij dan gefaald als held van de sociale gerechtigheid, verdient Guevara dan misschien een plaats in de geschiedenis als een genie van de guerrillaoorlog? Onmiddellijk na de overwinning van de revolutie organiseerde Guevara guerrillalegers in Nicaragua, de Dominicaanse Republiek, Panama en Haïti – alle werden vernietigend verslagen. In 1964 stuurde hij de Argentijnse revolutionair Jorge Ricardo Masetti de dood in door hem te overreden om vanuit Bolivia een aanval op zijn geboorteland te lanceren, kort nadat de representatieve democratie in Argentinië weer in ere was hersteld.
Bijzonder rampzalig was zijn Congo-expeditie in 1965. Guevara koos de zijde van twee rebellen – Pierre Mulele in het westen en Laurent Kabila in het oosten – tegen het miserabele Congolese bewind, dat ondersteund werd door de VS en door Zuidafrikaanse en verbannen Cubaanse huurlingen. Mulele werd verdreven uit Stanleyville, dat hij eerder had ingenomen. Tijdens zijn terreurbewind heeft Mulele, zoals beschreven door V.S. Naipaul, iedereen vermoord die kon lezen en een stropdas droeg. Guevara’s andere bondgenoot, Laurent Kabila, was toen alleen maar lui en corrupt. Maar in de jaren negentig zou de wereld ondervinden dat ook Kabila een moordmachine was. In elk geval besteedde Guevara het grootste deel van het jaar 1965 aan het ondersteunen van de rebellen in het oosten, voordat hij roemloos de aftocht moest blazen. Spoedig daarna kwam Mobutu aan de macht en vestigde een tirannie die het tientallen jaren zou uithouden. Ook in Latijns-Amerika, van Argentinië tot Peru, hadden door Che geïnspireerde opstanden als enig praktisch resultaat een jarenlange verharding van gewelddadig militarisme.
In Bolivia werd Che wederom, en voor de laatste maal, verslagen. Hij beoordeelde de plaatselijke situatie verkeerd. Een aantal jaren ervoor had er een landbouwhervorming plaatsgevonden; de regering respecteerde vele van de door de boeren opgerichte organisaties; de militairen hadden, ondanks hun nationalisme, goede banden met de Verenigde Staten. “De boerenmassa’s helpen ons helemaal niet,” was Guevara’s treurige conclusie in zijn Boliviaanse dagboek. Erger nog, Mario Monche, de plaatselijke communistische leider, durfde een guerrillaoorlog niet aan, na een vernederende nederlaag in de verkiezingen. Hij leidde Guevara naar een positie in het zuidoosten van het land, waar hij moeilijk kon ontsnappen. Zijn gevangenname bij het Yuro-ravijn, kort na een ontmoeting met de Franse intellectueel Régis Debray en de Argentijnse schilder Ciro Bustos – die beiden werden gearresteerd toen zij Che’s kamp verlieten – was net als de hele Boliviaanse expeditie een amateuristische aangelegenheid. Op 9 oktober 1967 werd Guevara door een Boliviaanse soldaat geëxecuteerd. In 1997 werd zijn stoffelijk overschot ontdekt bij een startbaan van het Boliviaanse vliegveld Vallegrande, na een perfect getimede onthulling van een gepensioneerde Boliviaanse generaal. Dit gedenkjaar vestigde de aandacht nog eens op Freddy Alborta’s beroemde foto van Che’s lijk, dat in verkort perspectief en uitgestrekt op een tafel, romantisch dood ligt te zijn, als een Christus op een schilderij van Mantegna.
Álvaro Vargas Llosa (Peru, 1966), de zoon van schrijver Mario Vargas Llosa, is historicus, politicoloog en essayist. Hij is directeur van het Center on Global Prosperity van het Independent Institute, in Oakland, Californië, dat in 2006 zijn boek The Che Guevara Myth and the Future of Liberty publiceerde.
Bron: Opinio (http://opinio.nu/)