PDA

Vollständige Version anzeigen : Het gevaar van der groene vlag


Johnnie
1 maart 2008, 15:08
http://bp2.blogger.com/_Xi-EA7YZU1c/R0SfOlluhrI/AAAAAAAAABw/3gIJorA07UE/s320/atjehnederland.jpg

Door de aanwezigheid van Turkse immigranten in de Nederlandse politiek is de Armeense genocide, ook wel de Armenocide genoemd, een rol gaan spelen in de hedendaagse Nederlandse politiek. Veel van die Turkse politici ontkennen of bagatelliseren de collectieve moord op ca. één miljoen christelijke Armeniërs. Maar wat deed Nederland zelf eigenlijk ten tijde van de genocide?

Een Oude Band
Nederland was van oudsher gehecht aan goede relaties met het Osmaanse sultanaat. Al sinds de tijd van Willem van Oranje onderhield Nederland banden met het Osmaanse Rijk en in 1612 stuurde de Republiek op verzoek van de sultan haar eerste ambassadeur, Cornelis Haga. In de eeuwen die daarop volgden was een belangrijk onderdeel van de visie op de betrekkingen met het Osmaanse Rijk, de invloed die de sultan binnen de islamitische wereld had, de dar-el-islam. De mogelijkheid bestond namelijk dat hij die invloed zou aanwenden voor het uitroepen van de heilige oorlog, de jihad. De sultan claimde namelijk ook kalief te zijn, leider van de moslims en opvolger van de profeet Mohammed.

Met het faillissement van de VOC was de Nederlandse staat erfgenaam geworden van Nederlands-Indië, waarin islam de belangrijkste godsdienst was. Islam was hier al voor de tiende eeuw gekomen en had zich via Atjeh door de archipel verspreid. Vooral op Sumatra en Java was de islamitische invloed erg groot. Islam vormde een inspiratie voor opstand en vooral het streng islamitische Atjeh was moeilijk onder controle te krijgen. Atjeh had in de zestiende eeuw een beroep gedaan op de Turkse sultan-kalief voor bijstand in de strijd tegen de Portugezen. De sultans van Atjeh legitimeerden hun regime met islamitische symboliek, ideeën en rituelen en voerden jihad tegen de koloniale bezetters. De contacten tussen Atjeh en het Osmaanse Rijk bleven bestaan in de Nederlandse tijd en leidden tot de aanwezigheid van Osmaanse islamgeleerden in Nederlands-Indië. In 1914 was het nog maar tien jaar geleden dat het KNIL onder de beruchte generaal Van Heutsz een langdurige opstand in Atjeh had bedwongen. Verder maakten veel islamitische Indiërs de hadj, de verplichte bedevaart naar Mekka, dat in het Osmaanse Rijk lag.

Panislamitische Woelingen
Sultan-kalief Abdül Hamid II had vanaf 1875 een panislamitische beweging opgezet. Istanboel werd onder hem het centrum van die beweging. Jonge moslims van buiten het Osmaanse Rijk werden er opgeleid. Panislamisme werd definitief een deel van de Osmaanse buitenlandse politiek, toen men merkte dat acties van christelijke volken op de Balkan en bemoeienis door christelijke grootmachten met het Osmaanse Rijk, onder moslims wereldwijd tot solidariteit met de Turken leidde.

Het panislamisme bevorderde vooral de eenheid van moslimvolkeren binnen het Osmaanse Rijk en was in de eerste plaats een binnenlandse aangelegenheid, bedoeld om de interne orde te handhaven. Maar daarnaast had het ook zijn nut in buitenlandse aangelegenheden, vooral door het verwerven van steun onder de islamitische onderdanen van Europese koloniale rijken. In 1906 verscheen er in de NRC het bericht dat een tiental Arabisch-Javaanse jongens werd opgeleid aan de Turkse militaire academie. Ze waren geworven door de Turkse consul-generaal, die beloofde zich te zullen inzetten voor gelijkschakeling van Arabieren aan Europeanen in het raciaal onderverdeelde Nederlands-Indië. In 1907 bracht de broer van de sultan van Koetei, Pangeran Sasronegoro, een bezoek aan Istanboel. Koetei was een autonoom islamitisch staatje op Borneo. Sasronegoro had aan de koloniale autoriteiten geen toestemming gevraagd voor zijn bezoek en laadde daarmee de verdenking op zich bezig te zijn met dubieuze politieke activiteiten.

Een man die als geen ander van het belang was doordrongen een luisterend oor aan de deur van de sultan-kalief te houden, was Christiaan Snouck Hurgronje. Snouck gold internationaal als een groot expert op het gebied van islam, een reputatie die hij te danken had aan het feit dat hij een van de weinige westerlingen was die in Mekka was geweest tijdens de hadj. Snouck had zich tot moslim bekeerd, maar was zich ook diep bewust van de gevaarlijke aspecten van het islamitisch geloof, zodra dat politieke ambities kreeg.

Het was dan ook Snouck die bij de regering bleef hameren op het potentiële gevaar van Osmaans panislamisme voor de stabiliteit van Nederlands-Indië, of wat hij noemde ‘het gevaar der groene vlag’. Volgens Snouck aanvaardden de islamitische zelfbesturen in Indië onterecht de pretentie van de Turkse sultan de kalief te zijn. Door het aanknopen van directe betrekkingen met de sultan hoopten zij voordeel te behalen in hun positie ten opzichte van Nederland. Turkse diplomaten in landen met islamitische onderdanen versterkten het idee dat de sultan-kalief slechts wachtte op de juiste gelegenheid om zijn gezag en invloed daar te doen gelden.

Dat gevaar zat voor Snouck niet in het uitroepen van jihad door de sultan-kalief, want iedere oorlog die het Osmaanse Rijk voerde was technisch gezien jihad. Maar door een overschatting van de invloed die de sultan kon doen gelden binnen de dar-el-islam, kreeg hij juist invloed. Hierdoor kon hij de verhoudingen tussen Europese machten en hun islamitische onderdanen verstoren. In Snouck’s analyse was de sultan-kalief dus niet in staat om een wereldwijde jihad uit te roepen, maar kon hij wel op lokaal niveau voor onrust zorgen, met name binnen die koloniale mogendheden, die zelf de sultan teveel macht toedichtten. Het was als het ware een ‘self fullfilling propecy’. Zo verscheen er in het Arabische dagblad Mudafa’a van 23 april 1916 een artikel waarin de versoepelde opstelling van Frankrijk ten opzichte van haar islamitische koloniale onderdanen als een teken van vrees voor het panislamisme en de kracht van Turkije werd gezien. Ondanks Snouck’s analyse leek Den Haag echter het zekere voor het onzekere te willen nemen.

Een Mislukte Jihad
De ambassadeur in Istanboel, P.J.F.M. van der Does de Willebois, kreeg zijn informatie vooral van Duitse diplomaten en militairen, waarmee hij goede contacten onderhield. Het leidt nauwelijks twijfel dat Den Haag goed op de hoogte was van wat er zich afspeelde in de binnenlanden van Turkije. Met deelname van het Osmaanse Rijk aan de Eerste Wereldoorlog aan de kant van Duitsland, vroeg men zich in Den Haag af wat de risico’s waren dat dit zou kunnen escaleren tot een strijd van islam tegen christendom. Op 11 november 1914 liet sultan Mehmet V in zijn hoedanigheid van kalief de jihad uitroepen tegen de Triple Entente. De Turken en de Duitsers hoopten hiermee opstanden te stimuleren onder islamitische volkeren van de Kaukasus en het zo Rusland moeilijk te maken. Daarnaast zouden moslims in de koloniën van Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië in opstand kunnen komen.

De ambassadeur liet op 6 november 1914 weten dat hij geen verandering bespeurde in het gedrag van de moslimbevolking ten aanzien van christenen. Daarbij leek hij echter alleen maar te denken aan Europese christenen en repte hij met geen woord over oplopende spanningen ten opzichte van Osmaanse christenen en met name Armeniërs. Met betrekking tot panislamisme stelde hij dat het vooral een poging van de Jong Turken was om de bevolking achter de oorlog te krijgen. Maar in november 1914 verscheen een pamflet, waarin de Javaanse moslims werden opgeroepen in opstand te komen tegen hun ongelovige onderdrukkers, de ‘halfbeschaafde’ Hollanders. Nederland werd in één adem genoemd met andere koloniale rijken, waarin moslims woonden. Voor Snouck Hurgronje was dit reden om via zijn Duitse connecties stevig aan de bel te trekken, waarna de Turken en de Duitsers het als ‘een fout’ bestempelden. Er was Nederland veel aan gelegen om Duitsland er van te doordringen dat zij de islamitische kaart niet te hard moest spelen.

In december rapporteerde de ambassadeur dat de jihad een fiasco was. De steun die Turkije ontving, had het naar zijn inschatting toch wel ontvangen, waardoor de heilige oorlog als middel veel van zijn dreiging had verloren. De Osmanen hadden hun invloed over de internationale moslimgemeenschap overschat, al betekende dat niet dat die invloed er niet was of ongevaarlijk was. Van een allesomvattende oorlog tegen het christendom was niets terechtgekomen. De Jong Turkse junta was door haar moderne, seculiere uitstraling niet bij machte geweest om het religieuze leiderschap binnen de islamitische wereld op zich te nemen en in te zetten voor haar eigen doeleinden. Het panislamisme was als een nachtkaars uitgegaan.

In tegenstelling tot Amerika en Zwitserland hield Nederland zich als neutraal land ten tijde van de Armenocide alleen bezig met zijn eigen besognes: de gevolgen van panislamisme voor de politieke stabiliteit van Nederlands-Indië. Ook voor de Eerste Wereldoorlog liet Nederland zich weinig gelegen liggen aan de interne religieuze onrust binnen het Osmaanse Rijk. Omdat Nederland als een protestantse mogendheid werd beschouwd, deden protestantse Osmaanse onderdanen weleens een beroep op Nederland. Maar Nederland liet weten geen rol op zich te nemen ter bescherming van protestanten in het Osmaanse Rijk, omdat men het Verdrag van Berlijn, waarin gelijkheid van alle gezindten in dat rijk werd bedongen, niet had ondertekend. Dit verdrag had naast de gelijkschakeling van moslims en christenen ook geprobeerd de positie van Armeniërs in het Osmaanse Rijk te regelen. Zo zouden de hervormingen hebben moeten leiden tot een betere bescherming van Armeniërs tegen islamitische Circassiërs en Koerden, alsmede tot een beperkte vorm van provinciaal zelfbestuur. Osmaanse christenen die Nederland om hulp vroegen, werden daarom beleefd doorverwezen naar de Amerikaanse ambassade.

Angst voor het 'gevaar der groene vlag' dicteerde de Nederlandse buitenlandse politiek ten aanzien van Turkije. Men ging iedere religieuze kwestie binnen het Osmaanse Rijk uit de weg, vanwege de mogelijke onrust die dat kon veroorzaken bij zijn miljoenen islamitische onderdanen in Indië. De Armenocide was zo'n religieuze kwestie en dat leidde tot een bewust negeren van het lot van de christelijke Armeniërs…


Literatuur:
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Inventaris van de A-dossiers, 1871-1918: 2.05.03, inventarisnummers 451 en 242; 20.05.94, inventarisnummer 469.

Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland 1848-1919. Derde periode: 1899-1919 Vierde Deel 1914-1917, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie nr. 109 (Den Haag 1962).

Akçam, Taner, A Shamefull Act, The Armenian Genocide and the Question of Turkish Repsonsibility (New York 2006).

Groot de, A.H., Nederland en Turkije, Zeshonderd Jaar Politieke, Economische en Culturele Contacten (Leiden 1986).

Keegan, John, De Eerste Wereldoorlog 1914-1918 (Amsterdam 2000).

Lapidus, Ira M., A History of Islamic Societies (Cambridge 2002, 2nd ed.).

Lewis, Bernard, Het Midden Oosten, 2000 jaar culturele en politieke geschiedenis (Amsterdam 1996).

Snouck Hurgronje, C., The Holy War "Made in Germany" (New York 1915).

Wesseling, H.L., Europa’s Koloniale Eeuw. De koloniale rijken in de negentiende eeuw, 1815-1919 (Amsterdam 2003).

Zürcher, Erik-Jan, Welingelichte Kringen? De Politieke Berichtgeving van de Nederlandse Ambassade in Istanbul in de Eerste Wereldoorlog (Nijmegen 1988).

Geplaatst door Ruis op 21:58

Labels: Armenië, Armenocide, Eerste Wereldoorlog, Genocide, Imperialisme, Islam, Jihad, Nederland, Nederlands-Indië, Osmaanse Rijk, Snouck Hurgronje, Turkije

http://struikgewas.blogspot.com/2007/11/het-gevaar-der-groene-vlag.html