admin
24 juni 2008, 13:20
weblog Boekestijn (VVD) / Antwoord aan Willem Breedveld
Arend-Jan Boekestijn, VVD Tweede Kamerlid
Willem Breedveld heeft helemaal gelijk. De gemiddelde burger weet ook zonder door de overheid gesubsidieerde campagnes wel dat er een hoop ellende is in de wereld. Erbarmelijke beelden uit Darfur of van een vreselijke cycloon in Burma behoeven geen gesubsidieerde versterking.
Ook heeft hij gelijk dat ruim 32 miljoen voor draagvlakdenken veel beter productief kan worden aangewend in Afrika. Stel je toch eens voor hoeveel kunstmest Afrikaanse boeren daarvoor zouden kunnen aanschaffen? Productiviteitsverhoging in de Afrikaanse landbouw is geen overbodige luxe nu de voedselprijzen de pan uit rijzen.
Men zou dus denken dat Breedveld het met Irrgang en mij eens is dat de subsidies aan het NCDO dramatisch kunnen worden verlaagd. Overheidscommunicatie mag wat kosten maar ruim 32 miljoen euro lijkt me wat te veel van het goede. Dat blijkt echter niet het geval te zijn. Volgens Breedveld heeft wijlen prins Claus één en andermaal betoogd dat er samenhang bestaat tussen onze rijkdom en de armoede in de Derde Wereld. Zicht krijgen op die samenhang verdient, wat Breedveld betreft, steun van de overheid.
De enige rechtvaardiging die Breedveld kan bedenken voor ruimhartige subsidies aan de draagvlakcampagnes van het NCDO is dus de vermeende samenhang tussen onze rijkdom en de armoede in de Derde Wereld. Volgens Breedveld heeft Prins Claus in 1991 deze samenhang beschreven.
Misschien is het beter om Prins Claus er maar buiten te laten want de vermeende samenhang bestaat eenvoudigweg niet. Het is gewoon niet waar dat in onze wereld rijken rijker worden ten koste van de armen. Deze stelling zou alleen gelden als het mondiale bruto nationaal product gelijk was gebleven tussen 1820 en 1998. In werkelijkheid is het mondiale bnp met een factor 50 toegenomen. De koek werd dus gelukkig groter zodat iedereen er voordeel bij kon hebben. Overal is het inkomen gestegen maar sommige regio’s groeiden wel harder dan in andere. De VS had tussen 1820 en 1998 1,7 % groei per jaar. Afrika groeide in deze periode 0,7% per jaar.
De interessante vraag is natuurlijk waarom de VS harder groeide dan Afrika. Anti- en anders-globalisten menen dat veel Afrikaanse landen zich in een armoedeval bevinden die alleen kan worden omzeild door ontwikkelingshulp. Die stelling kan echter niet verklaren waarom de samenstelling van het lijstje van de allerarmste landen de laatste 50 jaar varieert. Kennelijk is de armoedeval niet zo absoluut.
Waar ligt het dan wel aan? Waarschijnlijk hangen de lagere Afrikaanse groeiprestaties samen met slecht bestuur. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de slechte economische uitgangspositie van de allerarmste landen veel minder effect heeft op groei dan slecht bestuur. Morgen zal ik U uiteenzetten wat voor dramatische beleidsimplicaties dit onderzoeksresultaat heeft voor de wijze waarop wij ontwikkelingssamenwerking zouden moeten inrichten.
Trouw
Arend-Jan Boekestijn, VVD Tweede Kamerlid
Willem Breedveld heeft helemaal gelijk. De gemiddelde burger weet ook zonder door de overheid gesubsidieerde campagnes wel dat er een hoop ellende is in de wereld. Erbarmelijke beelden uit Darfur of van een vreselijke cycloon in Burma behoeven geen gesubsidieerde versterking.
Ook heeft hij gelijk dat ruim 32 miljoen voor draagvlakdenken veel beter productief kan worden aangewend in Afrika. Stel je toch eens voor hoeveel kunstmest Afrikaanse boeren daarvoor zouden kunnen aanschaffen? Productiviteitsverhoging in de Afrikaanse landbouw is geen overbodige luxe nu de voedselprijzen de pan uit rijzen.
Men zou dus denken dat Breedveld het met Irrgang en mij eens is dat de subsidies aan het NCDO dramatisch kunnen worden verlaagd. Overheidscommunicatie mag wat kosten maar ruim 32 miljoen euro lijkt me wat te veel van het goede. Dat blijkt echter niet het geval te zijn. Volgens Breedveld heeft wijlen prins Claus één en andermaal betoogd dat er samenhang bestaat tussen onze rijkdom en de armoede in de Derde Wereld. Zicht krijgen op die samenhang verdient, wat Breedveld betreft, steun van de overheid.
De enige rechtvaardiging die Breedveld kan bedenken voor ruimhartige subsidies aan de draagvlakcampagnes van het NCDO is dus de vermeende samenhang tussen onze rijkdom en de armoede in de Derde Wereld. Volgens Breedveld heeft Prins Claus in 1991 deze samenhang beschreven.
Misschien is het beter om Prins Claus er maar buiten te laten want de vermeende samenhang bestaat eenvoudigweg niet. Het is gewoon niet waar dat in onze wereld rijken rijker worden ten koste van de armen. Deze stelling zou alleen gelden als het mondiale bruto nationaal product gelijk was gebleven tussen 1820 en 1998. In werkelijkheid is het mondiale bnp met een factor 50 toegenomen. De koek werd dus gelukkig groter zodat iedereen er voordeel bij kon hebben. Overal is het inkomen gestegen maar sommige regio’s groeiden wel harder dan in andere. De VS had tussen 1820 en 1998 1,7 % groei per jaar. Afrika groeide in deze periode 0,7% per jaar.
De interessante vraag is natuurlijk waarom de VS harder groeide dan Afrika. Anti- en anders-globalisten menen dat veel Afrikaanse landen zich in een armoedeval bevinden die alleen kan worden omzeild door ontwikkelingshulp. Die stelling kan echter niet verklaren waarom de samenstelling van het lijstje van de allerarmste landen de laatste 50 jaar varieert. Kennelijk is de armoedeval niet zo absoluut.
Waar ligt het dan wel aan? Waarschijnlijk hangen de lagere Afrikaanse groeiprestaties samen met slecht bestuur. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de slechte economische uitgangspositie van de allerarmste landen veel minder effect heeft op groei dan slecht bestuur. Morgen zal ik U uiteenzetten wat voor dramatische beleidsimplicaties dit onderzoeksresultaat heeft voor de wijze waarop wij ontwikkelingssamenwerking zouden moeten inrichten.
Trouw